Witte Donderdag A  (09/04/2020)

Aan de vooravond van zijn lijden en sterven zaten ze samen: Jezus en zijn leerlingen. Ze vierden het Paasfeest zoals zoveel generaties voor hen hadden gedaan. Ze aten een met sterke kruiden klaargemaakt schaapje, ongezuurd brood en ze toasten op de God van de Uittocht, de God van het leven. Het was een feest van warmte en verbondenheid.

We vieren dus onze verbondenheid en liefde met Christus en met elkaar in heel eenvoudige dingen: een stukje brood, een beetje wijn, wat water over de handen.   Het gaat vooral om het gebaar, de toewending naar elkaar en naar de kern van Jezus’ boodschap.

We nodigen jullie uit om nu ook daadwerkelijk de handen te wassen en indien mogelijk elkaars handen af te drogen. Niet als coronamaatregel maar als teken dat we met elkaar verbonden leven, en Jezus voorbeeld willen verder zetten.

We steken daarbij in gedachten en in verbondenheid met het geloof van Israël de ‘menora’, een kandelaar met zeven armen, aan. Hij staat symbool voor de diepere betekenis van de Joodse Thora waarnaar ook Jezus verwijst. De zeven armen wijzen naar de toen bekende zeven planeten en omvat zo heel de kosmos, verwijzend naar Gods kijken naar ons.

Laten we nu thuis, elk in onze eigen cocon, beschermd maar ook geïsoleerd, een kaars aansteken. Dit doen we als verbondenheid met iedereen van onze Effatagemeenschap maar ook verbonden met zoveel mensen om ons heen.

Dan kunnen we bidden:

-  Opdat uw vrede ons mag bewonen en wij deze kunnen doorgeven waar vijandschap en  verdeeldheid heerst
-  Opdat uw onbevangen nabijheid ons zou aansporen om met een open, onbevangen geest ons in te zetten waar leven verstart
-  Opdat vreugde door ons mag stromen nu wij als ranken geënt zijn op de wijnstok die Jezus is
-  Opdat uw houding van verzoening en vergiffenis ons zou aanzetten tot ondenkbare stappen van vergeving
-  Opdat uw wijsheid ons mag bewonen en wij in verbondenheid met heel de aarde  getuigen van de diepe eenvoud die alles doordrenkt
-  Opdat uw sterkte en veerkracht ons mag omhullen en voortstuwen naar gerechtigheid en durf opdat allen tot leven komen
-  Opdat uw liefde alles in allen mag samenvoegen, opdat zij ons maakt tot onverdeelde mensen die wonen in uw licht.

Lezing: Johannes 13, 1 - 17  (NBV)

Het was kort voor het pesachfeest. Jezus wist dat zijn tijd gekomen was en dat hij uit de wereld terug zou keren naar de Vader. Hij had de mensen die hem in de wereld toebehoorden lief, en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan. Jezus en zijn leerlingen hielden een maaltijd. De duivel had intussen Judas, de zoon van Simon Iskariot, ertoe aangezet Jezus te verraden. Jezus, die wist dat de Vader hem alle macht had gegeven, dat hij van God was gekomen en weer naar God terug zou gaan, stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die hij omgeslagen had. Toen hij bij Simon Petrus kwam, zei deze: ‘U wilt toch niet mijn voeten wassen, Heer?’ Jezus antwoordde: ‘Wat ik doe, begrijp je nu nog niet, maar later zul je het wel begrijpen.’ ‘O nee,’ zei Petrus, ‘míjn voeten zult u niet wassen, nooit!’ Maar toen Jezus zei: ‘Als ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen,’ antwoordde hij: ‘Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!’ Hierop zei Jezus: ‘Wie gebaad heeft hoeft alleen nog zijn voeten te wassen, hij is al helemaal rein. Jullie zijn dus rein – maar niet allemaal.’ Hij wist namelijk wie hem zou verraden, daarom zei hij dat ze niet allemaal rein waren.

Toen hij hun voeten gewassen had, deed hij zijn bovenkleed aan en ging weer naar zijn plaats. ‘Begrijpen jullie wat ik gedaan heb?’ vroeg hij. ‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen mij, en terecht, want dat ben ik ook. Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen. Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen. Waarachtig, ik verzeker jullie: een slaaf is niet meer dan zijn meester, en een afgezant niet meer dan wie hem zendt. Je zult gelukkig zijn als je dit niet alleen begrijpt, maar er ook naar handelt.

Schilderij: Sieger Köder
Petrus ziet wie Jezus is in het water waarin Hij zijn voeten wast.

Deelmoment  (Luc Maes)

Over Jezus doen veel beelden en opinies de ronde, al van bij het begin. Mensen die in Hem geloofden zegden: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan,’ en: ‘God heeft zich om zijn volk bekommerd!’ (Lc. 7, 16) Schriftgeleerden uit Jeruzalem  zeiden: ‘Hij is bezeten door Beëlzebul,’ en: ‘Dankzij de vorst der demonen kan hij demonen uitdrijven.’ (Mc. 3, 22).
Leerlingen van Jezus hoorden een stem uit de hemel: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde.’ (Mt 3, 17) Een blinde riep: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!’ (Lc. 18, 38) De moeder van de zonen van Zebedeüs zag Jezus al op een troon zitten, met een hele hofhouding en ze vroeg: ‘Beloof me dat deze twee zonen van mij in uw koninkrijk naast u mogen zitten, de een rechts van u en de ander links.’ (Mt. 20, 20-21) De leerlingen van Emmaüs zagen Jezus aanvankelijk als een politieke bevrijder: ‘Wij leefden in de hoop dat hij degene was die Israël zou bevrijden, maar inmiddels is het de derde dag sinds dit alles gebeurd is.’ (Lc. 24, 21)

Hier maakt Jezus zelf ons duidelijk wie Hij is. Hij die wist dat de Vader hem alle macht had gegeven, dat hij van God was gekomen en weer naar God terug zou gaan. Het woord ‘macht’ doet sommige mensen dromen. De vraag is wat die macht voor Jezus betekent. Een profetisch gebaar moet dat duidelijk maken.

Jezus stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die hij omgeslagen had. Dat was het werk van een knecht, een dienaar. 

De ‘macht’ die de Vader aan Jezus had gegeven heeft de vorm van dienstbaarheid. Het gebaar van de voetwassing is eigenlijk een beeld van Jezus’ hele leven, zoals het bijvoorbeeld samengevat wordt in de Filippenzenbrief: “Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens.” (Fil. 2, 6-7).

Petrus heeft het daar moeilijk mee. ‘U wilt toch niet mijn voeten wassen, Heer? O nee, míjn voeten zult u niet wassen, nooit!’ Het antwoord van Jezus is duidelijk: ‘Als ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen.’

Jezus merkt dat Petrus hiërarchisch denkt: ‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen mij, en terecht, want dat ben ik ook. Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen.’

Jezus denkt vanuit verbondenheid: ‘bij mij horen’, niet vanuit hiërarchie. Als Hij, de “meester” en de “Heer” dienstbaar is aan zijn leerlingen door hen de voeten te wassen, dan moeten zij ook dienstbaar zijn aan elkaar. Dat is echte verbondenheid. Immers, een slaaf is niet meer dan zijn meester, Petrus wordt geroepen om Jezus te aanvaarden zoals Hij is: dienaar van God en van de mensen.

‘Ik heb een voorbeeld gegeven’, zegt Jezus nog steeds aan ieder van ons. ‘Je zult gelukkig zijn als je dit niet alleen begrijpt, maar er ook naar handelt.’


De laatste weken van een leven, de laatste dagen van een mens, de laatste uren van een ziekbed ... die blijven je bij.
Wat hij toen zei ... wat zij op het laatste zag ... waarover hij zich zorgen maakte ... wat ze nog wilde dat wij ... wat ze hebben opgeschreven op de avond voor de terechtstelling.
Toen Hij, Jezus van Nazareth, timmerman van origine en God een Zoon geworden - zijn leven lang op en neer geslingerd tussen de wensen van de mensen en de wil van God - toen Hij afscheid nam van vriend en wereld, heeft Hij voor het laatst in woord en gebaar intens met hen gepraat.

Toen heeft Hij het brood
met hen gebroken en gegeten,
zijn beker overgedragen - en heeft Hij een bindende afspraak gemaakt:
doe wat Ik gedaan heb,
leef zoals Ik geleefd heb,
hou Mij in gedachten en Ik zal leven.

Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: een herder is vertrouwd met zijn schapen en de schapen zijn vertrouwd met hem. Er is een Vader  die Mij trouw is zoals Ik u trouw ben geweest.

Ik ben de goede herder, Ik geef mijn leven voor mijn schapen. Niemand neemt Mij het leven af: Ik geef het uit Mijzelf.

Ik ben de wijnstok, mijn Vader de wijngaardenier. Elke rank aan mij die geen vrucht draagt snoeit Hij weg;  elke rank die vrucht draagt koestert Hij, om nog meer vruchten. Blijf in Mij zoals Ik in U.

Dit is Mijn gebod: heb elkaar lief zoals Ik u. Geen groter liefde dan zijn leven geven voor de ander.

Hij sloeg zijn ogen op en zei:
Vader, voor Mij is het uur gekomen.

De beker is gedronken, Uw wil gedaan.
Het woord is gesproken, Uw weg gegaan.

Uw Naam is genoemd, en de mensen vertrouwd.

Ontvang Mij dan zoals een Vader zijn zoon.
Die Gij Mij hebt toevertrouwd, Vader,
Ik smeek U, bewaar ze, spaar ze; Ik doe een beroep op U.
Dat zij één zijn met elkaar zoals Ik met U.

Toen zij samen gezongen, het brood gebroken, en de beker gedronken hadden, ging Hij naar buiten, zijn vrienden om zich heen, bereid als ze waren hun profeet en toekomstdroom tegen de machten … en zichzelf te beschermen; zo nodig met geweld, dat wapen van de onmacht. Maar Hij zei: zwaarden weg, wie er naar grijpt komt er door om.

Hij ging naar buiten, en zijn vrienden - Petrus deed het woord - verzekerden Hem dat ze, nooit ofte nimmer, Hem in de steek zouden laten. Maar Hij zei: nog voor het een dag verder is, wordt de herder geslagen en de schapen verstrooid, wordt de wijnstok geknakt en vallen de ranken af. Wees straks elkaar als broeders tot steun.

Hij ging naar buiten, viel op de knieën en was bang. Moe en teleurgesteld als ze waren lieten zijn vrienden Hem gaan, en sliepen. Het was Zijn uur. Hij vocht het uit niet met het zwaard, niet met mensen, maar met zichzelf ... en met God … Totdat Hij zeggen kon: Vader, uw wil geschiede.


Lied: Heer van hierboven

 Heiland hoelang bent U nu al met mij meegegaan,
als met een kind, dat altijd weer besluiteloos blijft staan.

 Heer van hierboven als ik misschien niet kan geloven zonder te zien,
geef mij dat ik Uw voetstap hoor, geef mij dat ik Uw voetstap hoor,
geef mij dat ik Uw voetstap dan hoor.

 Is het Uw tred, is het Uw Geest, die ik steeds herken,
telkens wanneer ik zonder een woord alleen met U ben.

 Anders dan anders, eindeloos vrij, wonderlijk rustig wordt het in mij
als ‘k weet dat ik U toebehoor, als ‘k weet dat ik U toebehoor,
als ‘k weet dat ik U toebehoor.

 Totdat Uw vrede zich in mij vervult, heb nog geduld, heb nog geduld.
Blijf naast mij voortgaan totdat ik als een kind Uw hemel vind, Uw hemel vind.

 Heer van hierboven als ik misschien niet kan geloven zonder te zien,
geef mij dat ik Uw voetstap hoor, geef mij dat ik Uw voetstap hoor,
geef mij dat ik Uw voetstap dan hoor.

Live-opname van het Effatakoor o.l.v. Guido Moons
op het concert 'Op weg naar Pasen'
in de Sint-Martinuskerk te Lovendegem
op vrijdag 8 april 2011.

Slotgebed  (Luc Maes)

Jezus,
wij willen bij U horen.
Wij willen uw voorbeeld van dienstbaarheid niet enkel begrijpen, maar er ook naar handelen.

Wij danken U voor de vele dienstbare mensen,
die zieken verzorgen, die stervenden begeleiden,
die door hun nabijheid angst en twijfel helpen dragen,
die het leven leefbaar helpen maken.

Behoed en zegen hen,
Gij ‘meester dienaar’.
En mogen wij zelf ook dienaars zijn van God en van mensen.
Amen.