|
|
|
|
Kroniek
van de maand september 2007
Effataviering op 1/9, een beetje in mineur (maandag begint het nieuwe schooljaar!), maar niet voor Lies die ons verwelkomt, want zij zal er ‘keihard’ tegenaan gaan!
Guido leidt het evangelie (Lucas 14, 1.7-14) in met bucolische beelden over zijn jeugd: een pauw
die zich uit angst of jaloersheid zo groot mogelijk wil tonen en zijn pauwenstaart open spreidt. Wij, mensen, doen dat ook, wij willen indruk maken, met hoed, kroon, tiara, mooie kleren, hoge hakken, ingewikkelde woorden. Jezus toont ons een ander beeld. Hij wordt op sabbat uitgenodigd bij een voorname Farizeeër, wordt er scherp in de gaten gehouden, maar doet net hetzelfde.
Hij wijst hen, ons, terecht: zoek de laatste plaats, wees nederig, wees bescheiden. Guido illustreert dat met zijn eerste openbaar optreden, met een gedichtje dat hij als kleuter moest opzeggen:
‘Mijn neusje’ met als basisgedachte: steek uw neus niet tussen wat grote mensen zeggen!
Dat is niet meer in de mode, wij zijn assertief geworden, wij treden naar voor. Ik ben de beste,
ik kom op voor mijn groot gelijk! Waar is de bescheidenheid?
Maar wat wil Jezus nu: dat we onze talenten gebruiken en ze laten opbrengen, of wil hij nederigheid? Het is feitelijk zo eenvoudig: er is geen keuze nodig: wij moeten onze talenten niet voor onszelf gebruiken, maar ook om anderen recht te zetten, ze een plaats te geven. Niet slaafs, maar zoekend naar een evenwicht: onze talenten gebruiken omdat ze ons ten dienste zijn gesteld. Daarvoor dekken we de tafel omdat we geroepen zijn om voor elkaar gebroken brood te zijn.
Wij zijn dankbaar met Mieke om al die vele mensen die zich inzetten om Wout in zijn eerste studiejaar te begeleiden. Wij danken ook voor Werner Vanmoerkerke, vandaag één jaar overleden, voor alles wat hem dierbaar was. Wij bidden voor al wie moet leven met die leegte, vooral voor zijn dierbare ‘Bremstruik’.
Wij bedanken Carlos met een ruiker bloemen omdat hij ons regelmatig met orgelspel komt begeleiden en om het niet te verleren biedt Johan iets te eten en te drinken aan: alle redenen zijn goed, zelfs het feit dat hij op 1/9/2009 50 jaar oud wordt (die dag zal géén zaterdag zijn, dus geen viering, dus geen mogelijkheid tot feesten!).
Naar jaarlijkse gewoonte zingen we op 2/9 in het stemmige kerkje van Afsnee voor Stanny op het feest van ‘Johannes de Doper onthoofd’. Het evangelie (Matteüs 14, 1-12 of Marcus 6, 14-29) vertelt het cynische verhaal van de moord op Johannes de Doper, een mens is niet van tel … vandaag is dat nog meer waar dan vroeger. Johannes, een man van gerechtigheid, Jezus de Christus, een man van gerechtigheid, ze zijn aan die gerechtigheid ten onder gegaan. Moet mij dat hopeloos stemmen, denkend aan de eindzin van het gedicht van Pieter G. Buckinx: “De wereld giert en lacht, …”? Maar we hebben toch ook de woorden gehoord van Jeremia (1, 4&17-19): “Want Ik ben bij u om u te redden - godsspraak van Jahwe - .”?
Als ik terugkijk naar de viering van verleden jaar merk ik op dat wij andere liederen hebben gezongen, een verrijkt repertorium, ‘Exaltabo te Deus meus’!
Dan is er aperitief, luisteren naar het vernieuwde Lovaertorgel en echt: de mosselen zijn goed dit jaar!
Tabor gaat op 5/9 zijn vijfde werkjaar in, daarom is er op deze website ook wat meer uitleg over deze woensdagavonden en is het afscheid na de eigenlijke Tabor iets ludieker. Nicole heeft als onderwerp van deze avond een tekst gekozen uit het laatste boek van Pierre de Locht, ‘Orgelpunten in ons aardse bestaan’. Ze leidt die tekst in met het afscheid dat Jacques Gaillot in Partenia (www.partenia.org) van Pierre de Locht heeft geschreven. De gekozen tekst zelf spreekt over de laatste etappe in ons leven, die we van groeiende afhankelijkheid van anderen kunnen ombuigen naar de vraag: “Wat heb ik om mee te nemen naar het hiernamaals, tenzij het grootst mogelijke vertrouwen?” Dat vertrouwen komt ook tot uiting in vele voorbeden, voor de afwezigen, onder meer door heelkundige operaties, zoals Lou en Magda, voor mensen getroffen door zware tegenslag dat ze hun hoop niet verliezen. Ik denk aan Katrien Dr. die alleen achterblijft met haar kinderen, na het plotse en veel te vroege overlijden van haar man: “Hoop die niet sterven wil!”
In de stuurgroepvergadering van 6/9 gaan we iets dieper in op de retraite en provinciedag van de redemptoristen in Bensberg (D) waar enkelen van ons aanwezig waren en op het ontwerp van missie- en visietekst dat nog verder moet besproken worden.
Hoewel we al een viering hadden in het nieuwe werkjaar, is het vandaag, 8 september, officieel startvergadering. Frans verwelkomt de gemeenschap en verwijst naar wat ‘Effata’ betekent: opengaan, openstaan voor de anderen, want we hebben elkaar en God nodig.
De Amsterdamse Studentenekklesia is een basiscursus begonnen die sommige vieringen vervangt. Wij willen zover niet gaan, maar wel zal er in deze en volgende Gevi buiten Advent en Vasten wat meer aandacht gaan naar het duidelijk maken van de basisprincipes van een Effataviering. Daarom is het nodig eens terug te blikken op wat Effata is. Ontstaan uit de wil in 1990 op de Voskenslaan om een nieuwe gemeenschap op te bouwen, voortgezet in de middernachtsmis van 1994 in de Afrikalaan, in 1996 verder open gebloeid op de Stropkaai. Volgens de folder zijn we een basisgemeenschap voor christenen onderweg, het woord basisgemeenschap is geleend van de bevrijdingstheologie van Zuid-Amerika. Naast de wereldoverspannende structuur van de katholieke kerk in bisdommen (zelfs in de Sahara, vraag het maar aan bisschop Gaillot!) en parochies, zijn al vele jaren gemeenschappen ontstaan, nieuwe of basisgemeenschappen, niet van bovenuit georganiseerd, spontaan gegroeid. Basisgemeenschap is misschien een wat verouderde, gedateerde naam, gemeenschap zijn we zeker. Ook de parochies worden nu parochiegemeen-schappen genoemd (waren ze dat voordien niet?), maar Effata is daarin anders, niet zo gewoon, authentieker. Een plaats waar leven en licht van God samenkomen, een regenboog. Die regenboog is volgens Guido een beeld dat de eigenheid van Effata juist weergeeft: kijk naar de kaarsen op de menora, naar de bloemen op het altaarkleed, naar de kleurrijke achtergrond van het hoge altaar. Zon, God zelf, licht en vuur. Maar ook regen, ons dagelijks leven. Als die twee samenkomen krijg je een regenboog, veelkleurig als al de taken die je in een gemeenschap hebt: het woord voeren, poetsen, financiële zorgen dragen, tafels dekken, naar zieken kijken, voor jonge mensen zorgen.
Wij lezen uit Matteüs 5, 13-16, uit de Bergrede: “Jullie zijn het zout der aarde, het licht van de wereld”. Dat licht uit ons leven dat een regenboog wordt: een regenboog schijnt niet uit zichzelf, niet voor zichzelf, hij is er om naar te kijken. Onze gemeenschap dient niet om koffie te drinken, of om dikke boeken te lezen, wel om licht in de regen te laten schijnen, in het leven van mensen, die zout en licht zijn.
Wij delen brood en wijn, staan rond het altaar, zijn licht en regen, zon en tranen.
Wij bidden voor Marilou die herstelt van een heupoperatie, voor een onverstaanbare wens, voor kracht voor een goede vriendin die aan haar vierde chemokuur begint, voor een collega uit de palliatieve zorg die nu zelf ervaart geholpen te moeten worden, voor een kind dat bij het spelen een schedelbreuk heeft opgelopen, voor hen die eenzaam zijn of die in een leegte achterblijven.
In deze viering sprak Guido over zon en wij vergeten dikwijls dat ook door het kleinste venstertje de zon schijnt. Dat is het onderwerp van het aandenken aan deze startviering, een klein venstertje met de veelkleurige transparant die Sylvie eens maakte als symbool van Effata. Hetzelfde symbool dat Lut als altaarversiering uitwerkte: een raam met Sempervivens ervoor, teken van altijd leven, en de zon, een grote zonnebloem, die door het raam schijnt.
Er is uiteraard receptie, maar er is ook nog een bijeenkomst met Ilse en Sylvie voor onze jonge ‘muzikanten’ om eens te kijken of al dat jonge talent niet af en toe een speciale viering een extra feestelijk tintje kan geven.
Koorrepetitie op 14/9: vooral lied 89, ‘Alles wacht op U’, geeft soms aanleiding in de laatste vieringen tot fronsen en verontrust rondkijken: alleen de tenoren hebben hun stem aangeleerd, en dan nog! Wat je niet geleerd hebt kan je niet zingen, dus is het vandaag daarvoor ten volle de gelegenheid!
Elien is een blije ziel, en ze komt er naar eigen zeggen toe iemand gelukkig te maken door te gaan babysitten of zelfs een babbel met haar leerkrachten leuk te vinden. Vandaag, 5/9, verwelkomt ze de gemeenschap, een taak waar ze zich met vreugde om het weerzien ten volle van kwijt.
Het evangelie van vandaag (Lucas, het gehele hoofdstuk 15) is voor Guido als redemptorist zeer belangrijk, ‘op zijn lijf geschreven’! Wat hebben die drie verhalen, gelijkenissen, die Jezus vertelt, te maken met de spiritualiteit van de redemptoristen?
Een herder die op zoek gaat naar het honderdste, verloren, schaap, een vrouw die zorgvuldig zoekt naar de tiende, verloren, drachme, een vader die zijn verloren zoon verwelkomt met een festijn en daarvoor zelfs zijn oudste zoon tegen zich in het harnas jaagt?
Is dat een goede herder die negenennegentig schapen in de wildernis achterlaat, prooi voor de wolven? Is dat een wijze vrouw die uren zoekt naar één drachme, om dan een feest voor de buren te geven dat haar veel duurder komt? Is dat een goede vader die zijn betrouwbare hardwerkende, oudste zoon boos maakt door zijn vergevingsgezindheid, zijn liefde tegenover de jongste?
Of moeten we het zo bekijken: een goede herder is slechts blij als ál zijn schapen, alle honderd weer bijeen zijn, een goede huisvrouw is slechts blij als ze zorgzaam met haar bezit is omgesprongen en alle tien haar drachmen bijeen heeft gebracht, een goede vader is slechts blij als zijn twéé zonen weer bij hem zijn. Zo is Guido’s voorliefde voor dit evangelie, voor zijn opdracht als redemptorist te begrijpen, dat beeld van God: een vader die op uitkijk staat, zijn zoon van verre herkennend en een feest geeft! God die ‘stapelverliefd’ is op zijn mens zoals de jongeren zongen in Limerick. Dát is de boodschap die moet worden doorgegeven, een opdracht voor de toekomst.
Het kapittel van 8 tot 12/10 komt dichterbij, met de voor de redemptoristen én voor Effata belangrijke keuze tussen toekomst maken of tevreden zijn over het verleden. Wij bidden om wijsheid voor zij die aan dat kapittel zullen deelnemen, wij bidden voor pater Frans die morgen gehuldigd wordt voor zijn jubileum, …wij sturen hem trouwens de beste wensen, wij bidden voor een papa die veel te jong is heengegaan en die mama en de kinderen alleen achterlaat en bidden voor een schoonbroer die vol zorgen aan een chemokuur moet beginnen.
Na de viering krijgt de missie- en visietekst zijn definitieve vorm, klaar om te gaan vertellen, ook aan de kapittelgangers, wie en wat Effata in deze tijd voor ons betekent.
Frans wekt in Tabor op 19/9 het beeld van Jeremia 18, 1-6, in het huis van de pottenbakker tot leven. Vertrouwend op Jahwe gaat Jeremia naar het huis van de pottenbakker, hij is er blijkbaar wat te vroeg, de Heer is er nog niet. Hij kijkt geboeid toe wat de pottenbakker doet, herbeginnen met dezelfde klei tot de gevormde pot overeenkomt met het beeld dat hij ervan voor zich zag.
Dan komt de vraag van Jahwe: “Mag ik dat met je volk ook doen, je ziet toch dat het mogelijk is iets beter te maken?” “Mag ik”, zegt Jahwe, “je bent vrij, je kán ja zeggen zelfs al ken je het doel niet, je hebt je eigenheid!”
Wij bidden voor Jolien, dat haar schrijnend verhaal een einde mag nemen, voor een ongeneeslijke vrouw die een nieuwe stijl van leven, groeien naar God, wil leren.
An verwelkomt ons op 22/9: ze heeft zoals wij allen, alle klein en groot verdriet, haar kommer, haar vreugde meegebracht, om hier te delen en te vieren. Velen zijn op reis, Guido is in Rome waar een Libanese jongeman zijn eeuwige geloften aflegt. De viering is dan ook een beetje speciaal: onze ‘gasten’ zijn wat onwennig. Maar Ilse dirigeert ons met hart en ziel en Odette leidt ons naar het evangelie: “Waarom spreek ik over geld en geef ik al die cijfers over inkomen en uitgaven?” Omdat geld nodig is voor een menswaardig leven, want een menswaardig inkomen geeft ruimte voor vrijheid, voor solidariteit. We moeten ook verantwoordelijk handelen met het geld van anderen en zelf bepalen wat ‘geld’ waard is, door ‘geld’ geen macht te geven.
In het 16 de hoofdstuk van Lucas, 1-13, spreekt Jezus over de onrechtvaardige rentmeester. De parabel zelf al klinkt onrechtvaardig, oneerlijk. In ons taalgebruik zijn er twee zegswijzen blijven hangen: “Je kunt geen twee heren dienen” en “Wie je niet kan betrouwen met het kleine, kan je zeker niet betrouwen in het belangrijke.” Maar die spreuken leggen alleen maar nog meer de nadruk op die eigenaardige boodschap van Jezus die de onrechtvaardige, de rentmeester prijst. Natuurlijk is het niet zó dat we de parabel moeten begrijpen: Jezus prijst de rentmeester niet omdat hij oneerlijk is, maar wel omdat hij zorgt voor zichzelf, omdat hij zo grondig overlegt wat hij zal doen. Voor ons als christenen, voor ons in Effata betekent dat wellicht: zoek een creatieve manier om de boodschap van Jezus uit te dragen, creatief als de kinderen van deze wereld, met meer overleg dan de kinderen van het licht, met twee voeten in deze wereld. En toch kinderen van het licht zijn: verscheiden maar verbonden, een luisterend oor, als vrijwilligers, enthousiast over ons engagement, een steun voor het sociale weefsel.
Wij missen Guido, maar het tafelgebed krijgt, met Nicole, Odette en Ilse als voorgangers, een heel speciale waarde: “Wij vieren hier wat nog niet is, verzoening en verrijzenis, …, genade, vrede, iedereen!”
Wij wensen elkaar die vrede, en luisteren naar Gerrit in de bezinning: “Wees waakzaam, want voor je het beseft, zie je niet meer hoe onrecht wordt goedgepraat!”
Wij bidden dat iemands verdriet mag gemilderd worden, voor mama die zo moeilijk te been is, voor Karen en Erwin die vandaag wettelijk huwen, voor mensen in de kliniek die weten dat ze de laatste fase van hun leven doormaken, voor een overleden mama en haar man en de achtergebleven kinderen. Wij bidden voor de redemptoristen op het komende kapittel, dat ze voor het bepalen van hun toekomst met overleg te werk gaan, als kinderen van het licht: hoop op een nieuwe morgen.
De koorrepetitie van 28/9 is druk bijgewoond en Guido is na een zeer drukke werkweek weer aanwezig, snedig en ad rem. Van lied 69 ‘Een lied tot Jezus Christus’ waar we teveel ademen (“adem inhouden en dat uithouden”) over lied 89 ‘Alles wacht op U’ waar wij zien hoeveel er overblijft van de vorige repetitie (het valt nog mee!), tot lied 103 ‘Onze Vader verborgen’ (probeer de ‘van’ niet te vettig te maken, maak er ‘vn’ van …). Om te eindigen in de geest van die andere Guido (de Arezzo, en onderwezen in de benedictijnenabdij van Pomposa nabij Ferrara) oefenen we gregoriaans in het tafelgebed 110: niet gemakkelijk!
Een receptie? Waarom niet! Nele is gehuwd, eindelijk de grote stap gezet, en uit dankbaarheid voor Effata, het koor dat altijd een beetje ‘thuis’ is geweest, biedt ze een drankje aan, maar zonder haar kersverse echtgenoot Peter, want die ligt met griep te bed, spijtig voor hem!
In de viering op 29/9 lezen we in het evangelie het verhaal van de rijke man en Lazarus (Lucas 16, 19-31). Zie je Jezus zitten: hij ontvangt tollenaars en zondaars van alle slag, de farizeeërs en de schriftgeleerden morren daarom, maar Jezus spreekt tot zijn leerlingen, in beeldspraak, in parabels. Het tweede stuk van deze parabel lijkt er wel later door de gemeenschap van Lucas aan toegevoegd te zijn om het verhaal nog actueler te maken. Voor kinderen is de parabel duidelijk en moraliserend, maar voor volwassenen moeilijker, beangstigend, zelfs schokkend. Neen, het gaat niet over een vrek, het gaat over een rijke man, want hij geeft feesten, maar blijkbaar is hij kieskeurig in het delen van zijn rijkdom, hij heeft geen oog voor die bedelaar. Het gaat ook niet over arm zijn, geen arme wil zo blijven. Guido verduidelijkt met het verhaal over een afbeelding die hij zag in de refter van het klooster van de Capucijnen in Cham (D) bij Regensburg. Het tafereel stelt een tafel vol heerlijke spijzen en enkele etende gasten voor, onder de tafel zie je vier honden. Maar waar is Lazarus? Ja, die is niet in de refter, die zit aan de poort van het klooster, wij moeten naar buiten om hem te vinden. Het is niet genoeg God te loven en te prijzen, als we het evangelie willen beleven moeten we naar buiten, naar de poort waar de mensen zijn die ons nodig hebben.
De vraag aan de rijke, aan onszelf, is dus: “Sluit je je op, of durf je kijken, zoeken naar wie je nodig heeft?”
We danken voor een pasgeboren babybroertje, we bidden om steun voor de dappere monniken van Myanmar, voor de studenten die ook een nieuw schooljaar zijn begonnen, voor vrede die komt als mensen leren hun brood en hun leven te delen.
Einde van de viering, einde van de maand! Volgende maand starten vier jonge mensen met hun voorbereiding voor de plechtige communie: waar zijn de peters of meters? Bereid je voor!
Wouter, maandag 1 oktober 2007.
afdrukbare versie
|
|
|