effata-logo
Kroniek van de maand oktober 2008

De maand begint met het Tabormoment op 1/10, een uurtje verpozen, stil gebed en nadenken, midden in de week. Nicole koos een tekst uit het recente boekje ‘Denkend aan Job’ van Frans de Maeseneer. Deel 9: ‘Jezus meer dan Job’, of een mens als Job?, of toch meer dan Job? Een beetje spottend: toch anders dan Job, hij vloekte niet. Een tekst om te herhalen, heel dicht te laten naderen, ook een ‘onzevadermens’ worden. Je mag ook bidden voor anderen, voor een ongeneeslijke zieke, om moed om doorkijkmensen te worden, voor een overleden jonge collega, voor de vijf jonge mensen die in de volgende viering hun naam zullen opgeven.

 

Stuurgroepvergadering op 2/10. De nieuwe leden: Dirk, Nicole en Ludwin zijn aanwezig. Het wordt een vergadering van lopende zaken, evaluatie van een prima professiefeest en de voorbereiding van de naamopgave van de volgende viering.

 

Fantastisch”, zegt Maria bij haar verwelkoming van de viering op 4/10, “dat iedereen hier zichzelf kan zijn en zo goed ontvangen wordt!”

Jesaja (Hoofdstuk 5, 1-7) zingt een voor Joden bekend lied, het lied van de wijngaard van zijn vriend. Een wijngaard die vruchtbaar wordt aangelegd, goed wordt verzorgd, beplant werd met edelwingerd. Maar die wijngaard brengt slechts wilde bessen voort en van de wijngaard wordt opnieuw wildernis gemaakt, een beeld van Israël’s huis. Maar in Jesaja (Hoofdstuk 27, 2-5) zingt hij een ander lied, Jahwe’s toorn is voorbij, hij beschermt nu zijn wijngaard.

Ook Jezus vertelt een parabel over een wijngaard (Matteüs 21, 33-43): als je geen vruchten opbrengt zal het Rijk Gods u ontnomen worden. Een ‘straf’ verhaal over wat mensen doen met de goede dingen die ze ter beschikking krijgen en waarvan je een verre echo hoort in het Vlaamse spreekwoord: ‘Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel’.

Maar voor ons staan hier vandaag vijf jonge mensen die gevraagd hebben om in 2009 in de gemeenschap hun plechtige communie te mogen vieren. Wij zullen alles doen om ze hun weg te tonen en daarom krijgen ze geschenken: een kleurrijke kaars, die hier zal branden op alle vieringen, een gemeenschap van mensen die het goed met hen menen, vrienden en vriendinnen waar ze hun zorgen mee kunnen delen. Maar vooral krijgen ze iemand uit de gemeenschap cadeau, iemand die mee op weg gaat, die zich om hen bekommert, die bereid is om te luisteren.

Ze geven hun naam op: Arne, de adelaar, de heerser, Anne-Lotte, de genadige sterke vrouw, Zoë, het leven zelf, Naomi, de lieflijke en Leen, de stralende, de schitterende. Guido bidt voor hen, dat Arne als een adelaar een voorbeeld moge zijn voor ons, dat Anne-Lotte genadig en sterk moge zijn, dat Zoë het leven centraal moge stellen, dat Naomi teken moge zijn van liefde en zorg voor de mensen en dat Leen licht voor allen en allen licht voor haar mogen zijn: als dat geen zware opdrachten zijn! Daarvoor krijgen zij een meter of peter: Ilse, Bart, Ignace, Magda en Anneleen.

Zij dekken de tafel, wij delen brood en wijn, wensen elkaar vrede. Lies leest de bezinning: “God, blijf jij bij mij!”

Wij danken voor deze viering, bidden voor deze vijf jonge mensen die vandaag hun keuze hebben gemaakt, wij zijn getroffen door het woord van Guido: zij een voorbeeld voor ons, wij een voorbeeld voor hen: daar bidden wij voor. Ook voor jonge mensen die zo’n kans niet hebben gekregen, die radeloos zoeken naar een aanknopingspunt, bidden wij: “Laudate omnes gentes, laudate Dominum!”

 

Op de koorrepetitie van 10/10 oefenen we een aantal ‘gekende’ liederen nog wat in, maar vooral leren we nu echt het ‘You’ll never walk alone’ dat we op Guido’s professiefeest heel enthousiast, maar niet altijd helemaal juist, vierstemmig hebben gezongen.

 

Maria verwelkomt de gemeenschap in de viering van 11/10. Haar familie en vele vrienden zijn vandaag speciaal naar hier gekomen omdat wij allen het overlijden, nu drie jaar geleden, van haar man willen gedenken. “Wij komen biddend voor u staan …”, ook het vele licht krijgt een nieuwe betekenis.

Voor de derde keer op rij vertelt Matteüs (Matteüs 22, 1-13) een parabel over het jodendom in zijn tijd en over hen die niet willen zien dat het koninkrijk van God is aangebroken.Blijkbaar bestaat deze parabel uit twee stukken, door Jezus op verschillende ogenblikken verteld, door Matteüs aan elkaar ‘geplakt’, om iets duidelijk te maken aan zijn gemeenschap, Joden van toen. In het eerste deel gaat het over een bruiloftsfeest van een koningszoon, zowat het mooiste feest dat je je kunt voorstellen, even mooi als het feest van geloof waar ieder van ons op uitgenodigd is. Het tweede deel gaat over de man zonder bruiloftskleed; Je wordt dan gevraagd voor zo’n mooi feest, je komt van ver bestoft en bezweet en toch doe je niet de moeite om te baden en je beste kleed aan te trekken. Toch is de uitnodiging gratis, je bent altijd welkom, maar niets is ‘voor niets’. Je moet je wel op het feest voorbereiden met een mantel van liefde, van openheid, van geduld, van aandacht. Ook aan de tafel in deze kapel worden we uitgenodigd, wel niet vrijblijvend want we moeten ons op het feest voorbereiden.

Later bidden we voor vrienden die problemen hebben bij de opvoeding van een van hun kinderen, voor Bart de Witte, aalmoezenier van een gezinsgroep, voor mensen die ongeneeslijk ziek zijn. We danken dat we hier elke week op een feestmaal uitgenodigd zijn, we bidden voor een collega die een zware heelkundige ingreep moet ondergaan, voor een dochter, voor een parochie en voor Laurence dat ze volledig mag herstellen van de operatie.

We vragen dat God met zijn liefde dicht bij ons blijft, opdat we kunnen bouwen aan een wereld met hart en handen.

 

Aangezien we in Effata veel over God spreken, is het wellicht best dat we ook eens leren wat theologie is, maar vooral dat we in de praktijk beléven hoe theologie is. Daarom hebben we op 16/10 en 30/10 een uur theologie en dat op basis van de lezing van het boek(je) van Ad Willems, dominicaan, ‘Religie, na de grote verhalen’. In het eerste deel leidt Guido ons door twintig eeuwen kerkgeschiedenis en blijven we stilstaan bij het beeld van God en wat bidden is. Kernwoorden hierin zijn wellicht: “Verstandig vertrouwen”: wij moeten de wens om God wetenschappelijk uit te leggen kunnen loslaten en God zien in de mensen rond ons, de mensen met ‘een brok af’.

 

De centrale vraag van Walter Van Wouwe in de viering van 18/10 is: “Hoe kunnen wij aan God geven wat aan God toekomt?” Die vraag vloeit voort uit het verhaal uit Matteüs, 22, 15-21, waar de Farizeeën hun leerlingen met de Herodianen (genoemd naar Herodes, de stadhouder van de gehate Romeinen, dus feitelijk hun vijanden!), afsturen op Jezus om te trachten hem in het nauw te drijven. Maar Jezus ontwijkt die val met één zinnetje: “Geef aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is”. Wat van de keizer is, is duidelijk: op de munten staat de voor Joden gehate afbeelding van de keizer. Maar hier is die centrale vraag weer en wat moet ik doen, geven aan God wat mij het liefst is, recht in zijn armen lopen, hem een beetje tijd geven voor een tedere, zachte, kwetsbare omarming, een knuffel die niet verplettert, die niet tot last is? Stilte toelaten, God toelaten, wachten, Hij is daar, ik zit hier. Maar in het rijk van de keizer hebben wij ook een opdracht: rechtvaardigheid betrachten.

Samen met Guido breken wij brood en delen de wijn en dan bidden we dat we in de drukte van de dag een wijkplaats vinden waar we een stukje van de dag aan God kunnen geven, we bidden voor een moeder die begraven is, we bidden voor mensen die op de vlucht zijn dat ze liefde ondervinden, voor de vrijwilligers die stervenden begeleiden met kracht en liefde en voor hen die in deze verwarde tijd verantwoordelijkheid dragen.

 

In de Tabor op 22/10 gaat Chris wat verder in op het verhaal van de werkers van het elfde uur (Matteüs 20, 1-16) dat we reeds beluisterden in de viering van 20/9. We denken aan die mensen die wachten op werk, ze zijn niet van tel, ze zijn letterlijk vruchteloos, waardeloos. Maar vooral komt die vraag: “Heb ik wel op de markt gestaan?” Bedoeld is hier of ik mij heb aangeboden om te helpen, om mee te werken, of ik wel heb gevraagd wat de gemeenschap van mij verlangt? Wij hebben gebeden voor overledenen, voor een pastoor die op zijn nieuwe parochie een zware opdracht heeft gekregen, voor mensen die terechtkomen in de groep van de kansarmen of die hun werk verliezen.

 

Weekend in de Ardennen met de familie, dus ben ik afwezig op de koorrepetitie 24/10. Dankzij Hugo krijgen we achteraf tekst en melodie van het nieuwe lied: ‘Gij die niemand naar de ogen ziet’.

 

Ook op de viering van 25/10 zijn we afwezig, daarom heeft Bernadette mij wat geholpen met haar luisteren naar de homilie (Matteüs 22, 34-40). Vraag: “ Waarom krijgt het christendom zo weinig plaats in deze wereld?” Aan de inhoud kan het niet liggen, luister maar.

Vandaag komen de wetgeleerden, die in die tijd veel discussieerden over wetteksten, Jezus lastig vallen. Sommigen vinden de ene wet belangrijker dan de andere en daarom stellen ze Jezus de vraag: “Wat is nu het belangrijkste, wat is het grootste gebod?”

Jezus antwoordt: “Ge zult de Heer, uw God liefhebben en uw naaste als uzelf.”

Liefhebben en niet ‘aanbidden’: daarvoor maak je je klein, ga je op de knieën, dat is een vorm van angst. Maar liefhebben: dat doe je met je hart, met je geest, met je verstand, je neemt de andere zoals hij is. Dat kan op God gericht zijn, maar liefhebben kan ook tussen twee mensen, in een gemeenschap: dat is de andere laten voelen dat je hem niet laat vallen, ook met een brok af. Je houdt van iemand omdat hij er is.

(Herinner je: in het boek dat we bespreken rond theologie, zien we dat de God van het christendom niet de almachtige God is. We stelden ons de vraag “Wie is die God voor ons?”)

We willen dus leren houden van een God die niet zomaar alle wensen vervult. Houden van God is houden van mensen en dat begint met houden van jezelf. Jezelf aanvaarden zoals je bent, want dan alleen kan je van anderen houden. Dit is het christendom in een notendop. Jezus kwam het ons voorleven en heeft tot het einde toe gezegd: “Ik zie jullie graag.”

 

In het tweede uur theologie op 30/10 gaat Guido verder in op de gedachten van Ad Willems. Die heeft in een klein boekje, dus zeer samengedrukt, rationeel en intellectueel denkend over theologie gesproken.In die zin is theologie spreken over God in de taal van mensen, zeggen hoe we God ervaren, nadenken over Hem en toch altijd een stukje interpretatie. We denken na over het ontstaan van de secularisatie bij het uiteengroeien van wetenschap, religie en politieke macht en over de invloed van de wijdingsmacht in de kerk als instituut en de verhouding tegenover de leken. En vooral: wat betekent het als we zeggen: “Ik geloof dat God bestaat”. Voor mij is dat: ik zoek Hem, maar ik weet ook dat Hij naar mij op zoek is. Ik ontmoet Hem, soms, even. In Effata, in het zingen, in de natuur, … in liefde voor God, voor mijn naaste, voor onszelf. Eén opmerking over het boekje: Ad Willems relativeert de figuur van Jezus te sterk, hij zet hem misschien wat teveel op dezelfde hoogte als Luther, Boeddha, Mohammed. Zoeken wij nog teveel naar de historische Jezus, de Jezus achter de evangelies? Is het niet beter de levende, liefhebbende Jezus te zoeken, hij die de incarnatie is van de liefde van God voor de mens, hij die zich heeft gegeven uit liefde?

 

De volgende dagen zal ik heel veel denken aan mijn oudere broer die verleden week maandag overleden is. Hij was mijn zielsgenoot.

 

Wouter, vrijdag 31 oktober 2008

 

afdrukbare versie (39 kB)