|
|
|
|
Kroniek
van de maand oktober 2007
Oktober begint met Tabor op 3/10, voorbereid door Bernadette (bedankt voor de basistekst en het gedicht waarvan een verkorte versie hierbij!). In de vredesweek van Pax Christi bidden en waken we voor alle vluchtelingen. Het thema is: “Samen onder één paraplu” want ook vluchtelingen hebben bescherming nodig. Met de regenboogparaplu als symbool en Sint-Franciscus als voorbeeld gaan we samen op weg. We worden stil bij wat het betekent vluchteling te zijn. Sint-Franciscus reikte de melaatse de hand, wij kunnen vluchtelingen een hand reiken. Dan zal Jezus ons zeggen: “Ik had honger en je gaf me te eten, ik had dorst en je gaf me te drinken, ik was vreemdeling en je nam me op …” Inspiratie tot meditatie vind je in dit gedicht (uittreksel):
Weggewaaid
Vluchteling? Maar ik ben geen vluchteling
Want ik ben niet gevlucht,
Ik ben weggewaaid als een blad van een boom.
Er is in ons land
Een verschrikkelijke wind opgestoken,
Een wind vol vuur en geweld
En op een dag,
Op een dag die ik me niet meer durf te herinneren
Ben ik weggewaaid …
Vluchtelingen bestaan niet,
Er bestaan alleen weggewaaide mensen
Die door de wind over de wereld zijn geblazen
In de stuurgroepvergadering op 4/10 regelen we de praktische kanten van de naamopgave,
de knutselactiviteiten voor de kinderen, de gespreksavond met pater Ignace D’hert o.p.
Maar het kapittel van volgende week in Neustadt (D) is toch de kern van onze gedachten,
van onze hoop. Er zullen eindelijk ook twee leken zijn!
De grote kruik met water, versierd met gele rozen, staat klaar voor de viering op 6/10 want Esther wordt vandaag gedoopt. Maar eerst verwelkomt Johan de gemeenschap en al die familieleden en vrienden van Walter en Sabine, met de hoop dat de warmte van de gemeenschap en van de ondertussen aangestoken kaarsen (met eerst wat tegenwerking van het ‘licht’) op ons allen mag overgaan. Walter is niet voor niets een der drijvende krachten achter de Damiaanactie en de ‘Gospels for Damien’: we beginnen de viering met ‘This little light of mine’, eerst met wat aarzelende sopraanstemmen, dan zekerder en enthousiast.
We openen met een kruisje, de kinderen vragen er een aan hun ouders, spijtig genoeg is Guido’s moeder er nog niet, maar dat komt later wel in orde!
En waarom hebben Walter en Sabine de naam Esther voor hun dochtertje gekozen? Omdat het mooi klinkt, omdat Ester een sterke vrouw was die voor haar volk opkwam, omdat de naam ‘ster’ betekent, omdat haar ouders de stille wens koesteren dat Esther een leven lang geborgen mag zijn onder Gods grote hemel. Esther is daar blijkbaar tevreden mee want ze trekt beamend aan Guido’s grote mouw …
Dopen, zegt Guido dan, is niet zo belangrijk voor Esther zelf, het doopsel is belangrijk voor de gemeenschap waarin ze opgenomen wordt, waar ze haar wortels kan vinden.
Als evangelie kozen Sabine en Walter een tekst uit Matteüs: hoofdstuk 7, vers 7-12. Waarom? Dat mag Walter dan wel uitleggen, zo’n beetje als homilie. Een kind heeft zorg en aandacht nodig, heeft pa en ma en ook een gemeenschap nodig. Een kind is kind van iedereen, maar dat is misschien iets te weinig: er is een weg naar God nodig, hoog boven het kind, diep in onszelf, diep in de anderen. De band met God is eenvoudig: stel gewoon je vraag. God is niet doof, hij luistert, hij zorgt voor je kinderen. Maar er is ook een tweede raad gegeven, een gulden regel die je in alle godsdiensten terugvindt, in de Koran, in de Talmud …: doe niet aan anderen wat je niet zelf wil aangedaan worden, kwets niet, sluit niet uit, pest niet. Je kunt het beter ook positief zeggen: doe aan anderen wat je zelf tof vindt, waardeer de andere, luister naar de andere.
Sabine en Walter, Peter Bert en Meter An, broers en zus, allen beloven voor Esther te zorgen, en samen met Guido zegenen ze haar zintuigen, dat ze een teken van liefde en tederheid mag zijn voor heel veel mensen. De doopkaars wordt aangestoken, wij belijden samen het geloof in een God van liefde en licht, in die grote gemeenschap van bewogen en geïnspireerde mensen, die zingen en toch de stilte kunnen verdragen.
Esther wordt gedoopt en gezalfd, de tafel wordt gedekt, wij delen brood en wijn en Lies zingt van ‘miracles when you believe’. Mama Sabine dankt de Vader van elk van ons voor die twinkelende ster Esther en vraagt dat we elkaar zouden aanmoedigen om respect en vertrouwen te hebben in de kracht en de creativiteit die de Vader gezaaid heeft in onze kinderen.
Wij bidden voor onze zus Esther, voor kinderen die het moeilijk hebben, voor de familie en de samenleving waarin Esther zal opgroeien, voor de broer van Frans De Maeseneer die overleden is, voor het kapittel van de redemptoristen dat ze mogen werken aan een vruchtbare toekomst.
Lies zingt ‘Pie Jesu’, Sabine wiegt Esther aan haar wang en Esther lacht: als Esther lacht dan lacht Sabine.
Het is een doopfeest in Vlaanderen, dus vragen we ook ‘Moeke’ Maria een zorgende blik op Esther te houden op haar tocht door het leven: ze komt uit een schippersfamilie, dus ‘Maria beware, al die vare’.
Het is een ‘Happy Day’, er is weer taart voor iedereen. Maar samenvatten kan ik deze viering best met de woorden van Walter en Sabine: “Wij waren bewogen door zoveel warmte, gastvrijheid en authenticiteit… echo’s die je in de ‘Handelingen’ terugvindt als mensen de eerste christenen ontmoetten: zo gewoon en toch zo heel anders.”
Ook op Tabor van 10/10 brandt een speciale kaars om er aan te herinneren dat Effata meeleeft met de redemptoristen die nu in kapittel bijeen zijn. Chris heeft Psalm 130 en Lucas 10, 1-12, 17-20 gekozen om als leidraad te dienen bij het nadenken over ‘hoop’. Maak van hoop een werkwoord wordt ons gevraagd: “Doe zelf iets!” Hopen is wedden op de toekomst: we kunnen onze eigen weg gaan en denken aan Jezus woorden: “Ga, twijfel niet en laat je eerste woord ‘Vrede’ zijn!”
Koorrepetitie op 12/10 met Ilse, want Guido is nog op het kapittel in Neustadt (D). Inzingen met ‘Wie zijn leven niet wil geven’ (184) en dan twee nieuwe liederen: ‘Kom bevrijden’ of ‘In de hemel onze vader’ (185) en de vierstemmige versie van ‘Hoe ver is de nacht’ (44). We doen ons best, maar als we allemaal op verscheidene tijdstippen beginnen te zingen, is dat dé methode om de dirigent(e) door een excessieve adrenalinestoot tot een hartstilstand te brengen. Opletten dus!
Simon en Jonas verwelkomen de ganse Effatagemeenschap, maar als ‘voormalige’ plechtige communicanten, die zich hier meer en meer thuis voelen, vooral de nieuwe catechumenen. Want vandaag 13/10 geven Freya (godin van liefde en huwelijk), Hannah (God is genadig), Simon (wat alleen maar ‘met de stompe neus’ betekent, maar hij heeft twee illustere naamgenoten: Simon Petrus en Simon de Zeloot) en Ine (Agnes, schoon en zuiver of, uit het Fries, iets wat sterker maakt) hun naam op.
Het evangelie (Lucas 17, 11-19) over de 10 melaatsen kennen we wel en we denken onmiddellijk dat het alleen over dankbaarheid gaat, maar daar heeft het feitelijk weinig mee te maken. Jezus doet geen spectaculair mirakel, hij stuurt alleen maar tien melaatsen naar de tempel in Jeruzalem. Inderdaad keert alleen de tiende terug, maar dat is een Samaritaan en die is niet welkom in de tempel van Jeruzalem: Galilea en Samaria zijn historisch uit elkaar gegroeid, waar hebben we dat nog gehoord! En bovendien, Lucas wéét dat de tempel verwoest is, dat niemand daar nog kan gaan danken voor een wonder, dat je bij Jezus zelf moet zijn, dat alleen geloof kan redden!
In 309 wordt Constantijn in York (GB) als keizer aangesteld door zijn soldaten: het aanschijn van de wereld verandert. Onder Diocletianus werden de christenen nog vervolgd, gedoopt worden was een zaak voor volwassenen, die weten welke keuze ze maken. Onder Constantijn de Grote kwam de kinderdoop in voege, maar je naam opgeven als bewuste keuze dat je christen wil worden en zijn, dat bleef. Vandaag hebben onze vier catechumenen dat gedaan, aan het begin van de catechesetijd hebben ze een steen met hun naam voor het altaar gelegd, ze hebben een peter of meter gekregen van de gemeenschap, als geschenk: Frans voor Simon, Annette voor Hannah, Lut voor Ine en Roze-Anne voor Freya.
Wij bidden voor onze catechumenen, voor een vriendin die voor de tweede keer met een zware chemokuur moet beginnen en het daarmee zeer lastig heeft en wij denken aan wie ons daar speciaal om gevraagd heeft.
Het valt Guido op dat we niet meer bidden voor de redemptoristen op het kapittel. Maar dat kan moeilijk: wij weten wel dat de beslissing over ‘het nieuwe project op de site Voskenslaan’ gevallen is, maar moeten we nu bidden of danken? Het wordt snel duidelijk: de kogel is door de kerk, de werkschoenen staan terecht klaar! De redemptoristen, in kapittel verenigd, hebben met overgrote meerderheid, na zware discussie, een moedige beslissing genomen. Nu moet het denkwerk verder gaan, snel en snedig, en we worden mensen ‘die woningen bouwen voor Zijn stad van vrede’. We zijn de congregatie hiervoor dankbaar, Effata zal aan die nieuwe kans van harte meewerken.
In Exodus (3, 1-6), het verhaal van de roeping van Mozes bij het brandende braambos, vindt Chris Cl. in Tabor op 17/10 steun voor haar oproep om te durven op blote voeten voor God te staan met een moedige en eerlijke kijk op onszelf. Om kwetsbaar te zijn en te durven op onze stappen terugkeren en tegenwind en tegenspoed te verdragen.
Velen hebben zich het boek ‘Waar draait het om als je christen bent’ van Timothy Radcliffe o.p. aangeschaft, heel wat minder zijn aanwezig op de Boekenclub van 18/10. Zoals altijd hebben de afwezigen ongelijk want het wordt een boeiende bespreking, met om te beginnen het opruimen van een groot misverstand: het boek gaat niet over de relatie met andere godsdiensten of levensbeschouwingen. Wel over wat belangrijk is als je christen bent: vrijheid, vreugde, eenvoud, waarheid, moed, trouw, over wat ons als christenen onderscheidt, of zou moeten onderscheiden van de mensen waar we tussen leven. Over de ‘Brief aan Diognetus’, over de kloof tussen wat de kerk leert en hoe veel leden van de kerk leven, over het leven van de eerste christenen tot Constantijn de Grote, over de gevolgen van de ‘dertigjarige oorlog (1618-1648)’, m.a.w. van het ontstaan van het protestantisme, over de ‘Verlichting’ en vooral over de verwachtingen die het Tweede Vaticaanse Concilie heeft doen ontstaan, maar ook over root shock, ontworteling.
Over het genezen van de polariteit in de kerk tussen koninkrijkskatholieken en gemeenschapskatholieken door gesprek en durf.
In haar verwelkoming op 20/10 goochelt Roze-Anne, met schorre stem, wat met antennes en radioverbindingen tussen ons en God, maar haar bedoeling is duidelijk: we moeten op God gericht zijn. Veel lichtjes maken dat eenvoudiger!
Lucas schreef zijn evangelie zeker 50 jaar na de dood van Christus, daar zijn zowat alle exegeten over akkoord. Hij heeft Jezus dus vermoedelijk niet eens gekend en hij schrijft dus een beetje ‘georganiseerd’: de eerste zin over het ‘steeds bidden’ (Lucas 18, 1-8) is dus wellicht van Lucas zelf. Waarom schrijft hij dat? Na de dood van Jezus was er begrijpelijke paniek, en later dacht men, ook Paulus, dat het rijk van Jezus snel zou terugkomen. De mensen waren het wachten beu, daarom deze parabel over Jezus’ terugkomst. Het gaat niet over weduwen, want die tellen in die tijd niet mee, ze staan er alleen voor. Het gaat wel over een onrechtvaardige rechter: een rechter die in Gods naam is aangesteld, maar die zich duidelijk van God niets aantrekt. Hier is Jezus aan het woord: “Mensen, hoe ga je om met het leven, bekommer je je om gewone, zieke, arme broeders? Zet die mensen in het centrum van je daden!” Lucas maakt ervan: “Je moet bidden, veel bidden!” Je krijgt de indruk dat alles verandert als je maar genoeg bidt, maar gebed doet God niet veranderen of anders handelen, neen, gebed doet míj veranderen, mezelf aanvaarden, wetende dat God bij mij is. De tekst van de bezinning is daarin héél duidelijk: je hebt het maar begrepen als je aan God vraagt je te helpen zoveel van mensen te houden als Hij van jou houdt.
… Waar draait het om als je christen bent: christendom is te vinden waar mensen die niet interessant zijn, toch een plaatsje vinden, toch meetellen: ‘om tranen te drogen van mensen die gebroken zijn …’
We bidden voor onze kinderen dat ze weer op God gericht zijn, Lou dankt voor het gebed, de vriendschap en de bezorgdheid. We danken voor het gezamenlijk lezen van het boek van Timothy Radcliffe o.p. We danken voor elke gemeenschap waar geluisterd wordt, waar vreugde en hoop is. We bidden voor weduwen en wezen die bij niemand terecht kunnen. We delen in de zorgen van een van de leerlingen die na de zelfmoord van zijn vader en de spoorloze verdwijning van zijn moeder geen thuis meer heeft: ‘Exaltabo te’, maar ook ‘voor kleine mensen zijt Gij bereikbaar, blijf bij ons met uw hart in deze wereld staan!’
Voor ónze kleine mensen doen we iets speciaals en ze krijgen onder leiding van Chrisje en Veerle een knutselavond, vandaar ook al die kunstig gevlochten rode hartjes in de Effatazaal.
Tabor op 24/10, op een boogscheut van Allerzielen, een Kans om te denken aan sterven en dan …? Je kunt denken: achter ons is ons aardse bestaan en God vult de rest in. Maar psalm 39, gekozen door Nicole, op een prachtige tekst van Gabriël Smit, spreekt over de vernederde mens die zijn klacht uit: “Maar dat ik u een vreemdeling ben, dat haal ik niet, straf mij niet langer!” Herkennen we ons in die klagende mens, kunnen we genoegen nemen met de zegeningen in dit leven en rekenen we niet op een betere, andere tijd? Wij bidden voor Baziel Maes, gewezen directeur van Broederlijk Delen. Wij bidden voor de komende Lekendag in Wittem, dat die dag inspirerend, deugddoend zou zijn voor al wie met ons die weg gaat.
Als we als Effatagemeenschap ons meer en meer terugvinden in de spiritualiteit van Sint-Alfonsus, dan zijn de redemptoristinnen ook een beetje ‘familie’ en dus treft ons ook het heengaan van een der zusters van die gemeenschap. Daarom zijn enkelen van ons aanwezig op de uitvaartdienst van zuster Marie-Clement van de Moeder van Altijddurende Bijstand op 25/10 in Heule, een innige, hoopvolle en waardige uitvaart.
We oefenen de liederen voor Allerheiligen in de gevangenis op de koorrepetitie van 26/10 en sluiten af met ‘Hoe ver is de nacht’, nu niet meer vier-, maar al vijfstemmig: er is nog redding (dixit Guido)!
Tweede ‘Lekendag’, officieel de provinciedag voor leken en redemptoristen in Wittem (NL) op 27/10. Het thema is: ‘De redemptoristische familie …’ Uit Effata zijn we met 35 gekomen, in totaal zijn we met 120, allemaal mensen die komen nadenken over het redemptoristische charisma: hoe ik er mee in contact kwam, hoe ik dat opvat, wat mij er in aantrekt, hoe ik het in mijn leven vorm geef. Het was wel vroeg opstaan, hééél vroeg, maar we worden hartelijk ontvangen met koffie of thee en taart, als dat niet ‘iets lekkers is’! Maar naar goed christelijke gewoonte gaan we eerst voor deze dag bidden in de viering in de oude kloosterkerk. Voorgangers in gebed en lofzang zijn pater Jan Hafmans en Philippe Cremers, Guido leidt de zang. Drietalig zoals het hoort: Nederlands, Duits en Engels, want er is ook een delegatie uit Schotland voor de provincie Londen, en niet te traag en slepend!
Het evangelie komt uit Lucas 10, 1-9, onlangs nog gehoord in de Taborlezing, een lezing met een opdracht, vol hoop. Philippe stelt in de overweging de vraag: “Wat nemen wíj in ónze rugzak mee als we gezonden worden?” Hij doelt hier op het charisma van de redemptoristen: de gedachte ‘wij hebben je nodig’, het zoeken naar evangelische verlossing en menswaardig leven ook voor de anderen, het actief pastoraal volwassen worden. Wat nemen wij mee op onze weg naar die oefenplekken van geloof, voor gelovigen, ongelovigen, twijfelaars? Dat wat we nodig hebben om wat ons op onze specifieke plaats gevraagd wordt over evangelische bevrijding, verlossing te kunnen beantwoorden. Niet om te spreken over schuld, hel, verdoemenis, uitsluiting: onze samenleving is daar niet mee gebaat. Wel om vertrouwen in Gods genade mee te delen, om meer gevoel voor mensen aan te dragen, om te doen aanvoelen dat onderdrukte mensen zich niet vrij kúnnen gedragen. Niets vergeten, zo maar op weg gaan, leken en redemptoristen, elkaar meenemend op pad, ons eerste woord: “Vrede”
Zeven kaarsen worden aangebracht, zeven gebeden uitgesproken, voor de redemptoristen wereldwijd, voor de met hen verbondenen, voor de meest verlatenen, voor de onderdrukten, voor een uitzicht op een nieuwe toekomst, voor overledenen, voor alles wat we hier in de stilte van ons hart naar God duidelijk maken.
De kinderen, Hannah, Naomi, Rebecca, Wout (die blij is in het grote huis van pater Guido), … komen er bij. Ze hebben een rugzak vol kleurige papieren bloemen mee, als teken van vrede, van onze opdracht vrede uit te dragen.
Danken en gezegend worden, afsluiten: “O bella mia speranza, dolce amor mio, Maria!
Dan luisteren naar Bodo Schwarz en Sonja Niesen, Ina van de Bunt-Koster, Daniel Heinen en pater Guido die in het panelgesprek elk hun verhaal doen over hoe ze hun deel van het redemptoristisch charisma vonden en hoe ze het beleven.
Na aperitief en middageten - weer is daar die vriendelijke ontvangst – komen we in groepjes samen om voort te borduren op het panelgesprek. Wij van Effata trachten de link met de redemptoristen via Guido duidelijk te maken, anderen leggen uit hoe ze de redemptoristen vonden. Ik mis wel wat het begrip ‘lekendag’ en de inbreng van de leken, maar dat is wellicht niet helemaal de bedoeling: daarin was de lekendag in Gent duidelijk genoeg.
In de slotviering bedanken we pater Hermann, luisteren naar de groet uit Matran en naar Maria Draaijers, waarnemer voor het Europese Lekenforum (het klinkt nogal ‘rooms’!). Dan worden al onze ideeën samengebracht en vormt zich dat veelzijdige beeld van hoe wij, elk voor zich en elk groepje specifiek, vanuit een andere invalshoek tot samenspraak zijn gekomen, elkanders anderszijn aanvaardend, tot bespreken en luisteren bereid.
We sluiten zingend af, de mooie stem van Roisin Coll uit Glasgow leidt ons door ‘Pazzo per amore, amore di Dio, sempre amore per te’ (pazzo betekent: prettig gestoord, de rest begrijp je wel!)
Afscheid nemen van onze vrienden hier, in gedachten met elkaar verbonden, dankbaar voor deze bemoedigende dag.
Snoezelzingen is geen koorzingen. Het is dicht bij mensen gaan staan, mensen met een verstandelijke handicap, of zoals hier op 30/10 in het R.V.T. Sint-Rafaël in Liedekerke, bij bejaarde mensen, deels demente bejaarden, om voor, met en tussen hen te zingen. Eenvoudige liederen, liederen die ze kennen uit hun jeugd, een Marialied, Tineke van Heule, Klokke Roeland en tussendoor een poging om een spiritual te zingen.
‘s Avonds luisteren we naar pater Ignace D ’hert o.p. die wat uitleg komt geven over het geschrift van de Nederlandse dominicanen ‘Kerk & Ambt’. Wij hebben de tekst gelezen en de officiële kerk deed dit vermoedelijk ook, maar die zwijgen. Wij wensen er meer over te weten want het gaat over ons, die volgens het 2de Vaticaans Concilie toch het volk Gods zijn.
Pater Ignace leidt ons door het ontstaan van ‘kerk’ en ‘ambt’, over de tegenstelling ‘kerk als volk Gods’ en ‘kerk gegroeid uit het veilig stellen van het ambt’. Over de spanning tussen ‘onze identiteit’ en de manier waarop je die relevant maakt, over de invloed van het conflict tussen ‘Jeruzalem’ en ‘Korinte’, tussen Petrus en Paulus, over de manier waarop de lokale kerk als hoeksteen vervangen is door de universele kerk.
Hij spreekt uitvoerig over de eigenschappen van een dergelijke gemeenschapskerk: een gemeenschappelijke overtuiging, een niet vrijblijvende belijdenis, het ons herkennen in symbolen en rituelen. Over de groei van een kerkmodel waarbij Christus centraal staat en de hele kerkgemeenschap in de plaats van de apostelen treedt na hun dood, waar geen plaats is voor ‘priester’ maar wel voor ‘bisschop’ en ‘presbyter’, waar het enige offer dat God welgevallig is, het leven van Jezus is (Hebreeën). Over de paniek op het einde van de 1ste eeuw: de oerechte getuigen zijn dood, het verwachte einde der tijden is niet gekomen, er duiken twijfelachtige theorieën op. Er komt een nieuw concentrisch model met bisschop, presbyter en diaken. De jonge christengemeente wordt onder Constantijn de Grote en Theodosius I (ons nu langzamerhand al wel bekend!) Rijkskerk en ze neemt een piramidale gezagsstructuur aan (bovenaan de bisschop, de presbyter, de diaken en onderaan het volk).
Na de reformatie en het Concilie van Trente ontstaat de spanning tussen de charismatische ambten en het hiërarchische model waarbij de priester wordt weggenomen uit het volk, boven en buiten het volk wordt geplaatst. Bij het 1ste Vaticaans Concilie in 1870 is de structuur als volgt: bovenaan de paus (onfeilbaar) met nationale kerken met een rigide structuur van bisschop, priester, diaken, volk.
Het 2de Vaticaans Concilie hervormt deze structuur tot een ‘communio’ model, de bisschoppen zijn verantwoordelijk voor hun bisdom (waarbij ‘Rome’ een bisdom is) en het algemeen priesterschap (waarbinnen het ambtelijk priesterschap) gaat vóór op alle andere bevoegdheden. Hoe dit beeld nadien is geëvolueerd, maken we dagelijks mee.
Pater Ignace vat de brochure als volgt samen:
- Jezus Christus is de kern
- alle kerkambten zijn gelijkwaardig: ze worden uitgevoerd ‘in persona Christi’
- allen zijn we leken: het onderscheid tussen clerus en leken is onaanvaardbaar
- de test voor de geloofwaardigheid is het oecumenische gesprek, gevolgen zijn: de noodzaak tot opheffing van het verplichte celibaat, het respect voor ieders persoonlijke vrijheid en de taak van de gemeenschappen om zelf hun opdracht ‘au sérieux’ te nemen
- het gaat niet alleen om de eucharistie maar ook over de ziekenzalving, de doop, over alle sacramenten.
Wat mij opgevallen is in de gehele uiteenzetting is de nadruk die gelegd wordt op het ‘hertalen’ van de boodschap naar de tijd waarin die verkondigd werd, zonder de essentiële en oorspronkelijke kenmerken van deze boodschap te wijzigen: we zijn het lichaam van Christus (Paulus aan de Romeinen).
Einde van mijn kroniek, einde van een drukke maand, voorbode van heel veel denkwerk over het nu en de toekomst van Effata.
Wouter, woensdag 7 november 2007
afdrukbare versie (53 kB)
|
|
|