effata-logo
Kroniek van de maand november 2009

Allerheiligen, zondag 1 november, zingen in de gevangenis. Pater Ives gaat voor, sprekend over mensen die ons dichter bij God brengen. We zingen de Majellamis, dat maakt alles een beetje minder plechtig, wat soepeler, wat menselijker. Heiligen zijn als kaarsjes, ze brengen licht, worden niet altijd opgemerkt, één was wel uitgekozen, Moeder Maria, vreugde brengend waar de wijn op was, de vreugde weg, waar men triest was. Maar zij stond ook aan het kruis, zij vertrouwde op God, zij was een steun voor de gevluchte leerlingen. Morgen is het Allerzielen, dan danken wij voor alle mensen die we missen. Dan denken wij na over ‘leven’: niet belangrijk is wát je doet, maar wel wat je betekent voor anderen, niet grote dingen doen. Zoals al deze kaarsjes die kleiner worden en daardoor licht geven, nederig zijn, excuses kunnen aanbieden, zijn zoals je bent, weten wie je bent, een zoon, een dochter van God. Daarom eindigen we de viering met het ‘Salve Regina’: “O, liefdevolle, zoete maagd Maria!”

 

Voor Bernadette was het de week van de Boekenbeurs, met de vraag welke boeken er volgend jaar nog bij zijn. Eén boek blijft altijd actueel: de Bijbel, en dat is nu juist de reden waarom wij hier samenkomen: het woord van God.

Het is de 32ste zondag door het jaar, stilletjes aan gaan we naar de adventstijd toe. Verleden week nog het verhaal van Bartimeüs, de blinde die weer zien kan, nu begint het lijdensverhaal na de intocht in Jeruzalem, na de tempelreiniging. Zie je het voor u: Jezus die de kooplieden uit de tempel wegjaagt? Hij had er wel niets tegen dat er geld werd gevraagd, de tempel moest toch verfraaid worden, maar dat geld het belangrijkste werd, dat kon er niet door! Eigenaardig dat Jezus na zijn hardhandig optreden niet gevangen wordt, neen, er ontstaat wel discussie. Over ‘belasting’, ‘leven na de dood’, ‘een vrouw die getrouwd was met vier broers’: hoe zie je dat? Het zijn vragen om Jezus in de val te lokken: “ Wat is dan wel het belangrijkste?” En blijkbaar geeft Jezus verstandige antwoorden, want ze vallen hem verder niet lastig …

Een evangelie dat ons ter harte gaat: Marcus 12, 38-44, over Farizeeërs en het penningske van de weduwe. In elk van ons zit iets van datgene waarvoor de naam’Farizeeër’ staat: voortdurend op de eerste plaats willen gaan staan, meer hebben, overvleugelen, meer om onszelf bekommerd zijn dan om de zaak van God en de anderen. We moeten dus op tijd zien waar we zelf proberen de overhand te krijgen.

Ook het begrip ‘penningske van de weduwe’ is in onze taal terechtgekomen. Heeft Jezus over ‘geld’ willen spreken, hoe we met geld omgaan? Neen, Jezus komt binnen in Jeruzalem, hij maakt zich kwaad over die betweters, hij realiseert zich dat het de laatste keer is dat hij in de tempel komt, dat men hem kwijt wil.

Zie je hem nadenken, mijmeren, opmerken wat er gebeurt? Hij hóórt de rijken die met gulle hand geven: zie je wat ik geef? Hij ziet die vrouw, die arme weduwe, die haar twee penningen nog even vasthoudt: ik kan het misschien zelf béter gebruiken … neen, Gods huis is belangrijker …

Dát ziet Jezus, met de ogen van God zelf, wij moeten ook zo kijken! Gelovig zijn is niet weten, kunnen, kennen, wél de moed hebben te kijken met Gods oneindig belangrijke ogen, ons toe te vertrouwen aan de liefde van God.

Wij hebben gebeden voor een zieke vader, voor een collega die de strijd moet opgeven, voor de pas verkozen generaal overste van de redemptoristen dat hij moge beschikken over de wijsheid van de liefde. En een kindergebed: “Jezus, ik wil jouw vriendje zijn!”

 

Koorrepetitie 13/11 met Ilse. Lied 183 ‘Gij in uw grenzeloos licht’ (het meerstemmige deel) is wat te moeilijk om aan te leren zonder Guido, dus repeteren we het ‘Klein Kerstoratorium’, een eerste snelle maal. Ik zit er maar wat bij, stemloos, zo hees als wat.

 

Effataviering 14/11: Soms is het voor Chris beroepshalve niet gemakkelijk om professioneel te blijven bij het beoordelen van te publiceren persfoto’s, bijv. als het gaat om de mensen rond het kleine kistje van de dood teruggevonden Younes, of om de foto’s op de plaats waar drie jonge mensen te Oosterzele werden doodgereden. Blij is hij om hier te mogen thuiskomen en kracht op te doen voor een nieuwe werkweek.

Pater Herman heeft blijkbaar tijdens het naar Gent komen nagedacht over de manier hoe hij hier het woord zal voeren. In deze gemeenschap, waar mensen samen komen om te proberen elkaar op handen te dragen om zo uit de chaos, waarvan sprake is in het eerste verhaal dat verteld wordt in het Oud Testament, te geraken, door licht, liefde te schenken, bijv. elkaar te helpen bij het opknappen van een woning.

Dat eerste verhaal was al moeilijk, maar het wordt nóg moeilijker: Jezus vertelt over wat misschien nog eens komen zal. Ignace leest uit Marcus 13, 24-32, het verhaal over het laatste oordeel en die vergelijking met de vijgenboom.

Bij pater Herman moet je goed luisteren, zijn gedachten fladderen soms schijnbaar doelloos rond … Op het altaar liggen wat dorre bladeren, deze namiddag opgeraapt door onze plechtige communicanten, onder de bomen in het bos. Symbool van de herfst en de komende winter. Of is het misschien zo dat die bomen naar de knoppen zijn, bedoeld is dan: op weg om nieuwe knoppen te zetten? Zoals die vijgenboom die ook weer begint te botten, teken dat het zomer wordt, teken van hoop, teken dat God van mensen houdt, teken dat we mogen bemoedigen, vrede scheppen. Denken aan wat God dacht toen hij de mens schiep in het eerste verhaal: dat het góed was. Waarom dan jaloers zijn of afgunstig: God zág dat het goed was! Dus: toon wie je bent, durf te zijn wie je bent, vergeef een ander door jezelf te geven, dat kan een ander, héél lang verhaal worden!

Wij hebben gebeden: voor de slachtoffers van het zware ongeval in Oosterzele, voor een tante, plots overleden, vandaag begraven. Wij hebben gedankt voor die mooie namiddag voor de plechtige communicanten met hun peter en meter, om te leren beseffen wat het is te leven met een beperking. Wij hebben gebeden voor de mensen die een week zorgden voor een van ons in de abdij Rosenberg, gedankt voor de vrijwilligers in de 11.11.11-actie, gebeden voor een spoedig herstel van Lou die door een halve gezichtsverlamming door het herpesvirus is getroffen, gebeden voor familieleden dat ze weer van elkaar zouden leren houden, en speciaal voor deze Effatagemeenschap.

 

Tweede deel van de ‘basiscursus geloven’ op 20/11. God is niet meer evident in onze wereld. Maar hoe ervaar ik Hem? Geloof ik als een volwassene? Begrijp ik dat: de machteloze, nabije God? Waar heb ik het gevoel gehad dat hemel en aarde bijeenkwamen? Zoek ik God in de mensen rondom mij, kan ik vertrouwen op God die met mij meegaat, die zegt: “Ik ben bij je, Ik bereken je weg opnieuw!”?

 

Effataviering 21/11, feest van Christus Koning. Koningen hebben in onze tijd zowat afgedaan, hebben meestal enkel nog een louter protocollaire functie. Maar welke functies hadden de koningen in Jezus’ tijd? Drie functies, die vereenzelvigd worden met elk een taal, net zoals het opschrift aan het kruis.

Hebreeuws voor: van Godswege aangesteld, vertegenwoordiger van God op aarde, gezalfd zoals de priesters later. Niemand staat boven de koning, ook de profeten niet, die wel zeggen wat ze zouden moeten doen!

Latijn voor de macht van de koning. Een koning moet zijn volk en zijn gebied beschermen en dat laatste liefst vergroten.

Grieks omdat een koning moet wijs zijn, met wijsheid moet handelen, gerechtigheid moet doen heersen, rechtvaardig zijn, zorgen voor weduwen en wezen.

Koningen waren het hoogste gezag tot de 12 de eeuw, toen verloren ze een deel van hun eerste functie aan de paus, in de 18 de eeuw werd hun de macht afgenomen. Bleef over: de wijsheid!

Was Jezus Christus koning? Maar hijzelf was er toch tegen! Als Jezus van Godswege spreekt dan is hij koning, als we maar verstaan wat Jezus zélf met zijn ‘koningschap’ bedoelde.

Luisteren we daarom naar Johannes, 18, 33-38, als Jezus voor Pilatus staat.

Het is een gesprek als een ander. Een typisch menselijk gesprek waarbij elk gesprek de grond wordt in geboord doordat één van de betrokkenen onmiddellijk een standpunt inneemt en de andere denkt: “Wat moet ik nu nog zeggen?” Of als je ergens verwelkomd wordt met de woorden: “Daar zijt ge eindelijk!”, wat moet je dan nog zeggen?

Hier is Pilatus bekommerd om zijn macht, hij wil alleen weten of Jezus machtig is. Jezus machtig? Wij weten uit de vele verhalen uit Marcus dat Jezus zich enkel dienstbaar wilde opstellen!

Ze spreken dus allebei over een ander soort van koningschap: zo kán het niet tot een gesprek komen en rest er een vrijblijvend “Wat is waarheid?” Op die vraag had Jezus vroeger al geantwoord met de woorden: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven!”

Geen filosofische redenering dus, enkel met de ogen van God naar de mensen kijken, houden van de mensen. De waarheid is er niet om mensen te verdelen, niet om gelijk te hebben, niet om de waarheid in pacht te hebben.

De waarheid is om in liefde te leven met de mensen: van Godswege aangesteld zijn om te leven in een liefdevolle rechtvaardige samenleving en geloven dat zo iets mogelijk is.

Bij de communie krijg ik een antwoord op de vraag waar ik hemel en aarde heb zien bijeenkomen, als ik zie hoe liefdevol Guido brood en wijn aanreikt aan een van onze vrouwelijke ‘gasten’ in een rolstoel.

Later hebben we gebeden voor een vroegere leerlinge die op de rand van de zelfdoding leeft en om nooit moe te worden te ijveren voor gerechtigheid en menswaardigheid. We danken voor een onvergetelijke dag en voor Jezus van Nazareth die tot op het laatste geloofde dat een rijk van goedheid mogelijk was.

 

In Tabor op 25/11 grijpt Frans DM. nog even terug op het feest van Christus Koning met de tekst uit Johannes 18, 33-38, het beroemde ‘dovemans gesprek’ tussen Pilatus en Jezus. President Obama was in Japan en boog zich voor de Japanse keizer. Twee partijen beledigd: in Amerika vonden sommigen dat Obama zich te diep had gebogen, in Japan vond men dat Obama de keizer had beledigd want ‘tegen het protocol’! Niemand heeft zich ooit de vraag gesteld hoeveel centimeter ík moet buigen! Maar Pilatus mocht wel zeggen dat Jezus in het rijtje moest lopen en in zijn kleine ‘republikeinse’ woordenschat kende hij maar één woord: veroordelen! Van mensen die elkaars vuile wonden genezen en hiervoor door de knieën gaan had hij wel nog nooit gehoord. Zou het dat zijn wat Jezus aan Pilatus wilde duidelijk maken: diénen is van koninklijke allure en niet op centimeters kijken, dát is de redding van de mensen!

Maar ja, wie dwaze dingen doet wordt gekruisigd, gelukkig zijn er ook nog mensen die ‘van het kruis afnemen’, alléén, de republikeinen zien dat anders.

Dan hebben wij gebeden opdat wij weer leren buigen, én voor hen die meten hoe anderen buigen. Voor hen die zorgen voor dementerende partners buigen en bidden, en bidden voor een terminaal zieke jonge man, voor een overledene en voor alle mensen die ooit geloofd hebben dat ze in de komende adventstijd de weg terug mogen vinden.

 

Koorrepetitie op 27/11, met Guido deze keer. Inoefenen van de vierstemmige melodie van 36/37 ‘Zomaar een dak/Vrede voor jou’, ook de bassen mogen meezingen! Voor het echte werk begint eerst nog 103 ‘Onze Vader verborgen’ en dan het éénstemmige deel van 183 ‘ Gij in uw grenzeloos licht’ en 185 ‘Kom bevrijden’, een adventslied. Het echte werk: het ‘Klein Kerstoratorium’, een verademing voor wie het al zong, een volledig nieuwe ervaring voor wie het nog nooit zong: een extra repetitie op dinsdag 22/12 zal wel nodig zijn!

 

Op de 1ste zondag van de Advent, 28/11, wachten we letterlijk op het licht - de menora was er even nog niet – dan verwelkomt Frans C. ons allen.

We zingen de Advent in: “Scheur de wolken, kom bevrijden!” Maar het is ook het begin van het nieuwe kerkelijk jaar: “Gelukkig Nieuwjaar allemaal!” in deze donkerste periode van het jaar.

Hoe voelt duisternis aan? Dus, alle lichten uit, enkel nog een klein kaarsje om licht te hebben, met een gebed aan onze God van belofte, om sporen van licht te tonen, om ons tot licht te maken, licht als een profetisch licht in deze wereld, als een groet aan alle mensen die leven in het duister.

De adventskrans: een bed van wilde appeltjes, vier kaarsenhouders, een grote gouden toeter, Lut op haar best! Ian steekt het eerste kaarsje aan: “God, geef ons licht!”

In het Middelheimpark in Antwerpen staat een levensgroot beeld van Pablo Gargallo: ‘De Profeet’, de hand in de hoogte, de staf in de hand, de mond wijd open, krachtig, als een toeter, die zijn boodschap luid laat horen. Maar er zijn ook heel wat gaten in dat beeld, waardoor de wereld zichtbaar wordt, de wereld waarin de profeet spreekt, roept.

Bij de voorbereiding van deze advent dacht Guido ditmaal de nadruk te leggen op de twaalf kleine profeten, klein in omvang van hun overgeleverde geschriften en uitspraken, maar toch misschien ooit even belangrijk als Jesaja, Ezechiël en Jeremia, de drie grote profeten. Maar volgens de regel van de redemptoristen zijn alle mensen die redemptorist zijn of in het redemptoristische gedachtegoed leven, profetische mensen. Mensen die duidelijk spreken, met een grote toeter voor de mond, die kwetsbaar zijn zoals ‘De Profeet’, met gaten. Is profeet zijn, de toekomst voorspellen moeilijk? Maar neen: de aarde zál vergaan, we zúllen allen sterven en het is niet moeilijk te zien dat er in onze samenleving gaten zijn, dat er een kloof is tussen arm en rijk. Die gaten worden altijd maar groter, daardoor hebben wij, als gewone mensen een opdracht: de profetische boodschap uitdragen met open mond én een toeter, als kleine profeten!

Dus gaan we toch te rade bij de ‘grote’ profeet Jesaja in het heilsorakel van hoofdstuk 43, verzen 1-7. Aan een volk dat alles verloren heeft, dat weggesleept is, dat alleen denkt aan overleven, zegt Jesaja, zegt Jahwe: “Wees niet bevreesd, ik hou van u, ik ben bereid alles te doen opdat u gelukkig kunt zijn!”

Ook hier weer, roepend: “Gij zijt van mij, ik heb er alles voor over om u gelukkig te maken!”

We kunnen de structuren niet veranderen, maar wél kunnen we die blijde boodschap overbrengen: als je een foute keuze hebt gemaakt, dan nog zegt Jahwe: ik hou van u!

Die boodschap kunnen we overal brengen via onze medewerking met Welzijnszorg, door de openheid te hebben van de profeet, al is het maar om te tonen dat er ook in óns leven gaten zijn!

Daarom die vraag op het kaartje dat wordt uitgedeeld, als aandenken aan deze 1 ste zondag van de Advent: “Voor wie ben jij een profeet?”, in deze tijd van God aan het werk.

Wij bidden voor de nieuwe broederlijke gemeenschap van redemptoristen in hun tijdelijk verblijf in de Sint-Annastraat, vandaag geïnstalleerd, die wij als Effatagemeenschap willen meenemen op onze weg.

Wij bidden om voor elkaar profeten te kunnen zijn, voor mensen die een loodzware chemotherapie moeten ondergaan, en voor Tine en haar vriend, dat de Heer die prille liefde, vol geluk, mag zegenen.

Wij bidden dat we iemand mogen ontmoeten die duisternis wegneemt, dat we ons hart mogen openhouden voor elkaar, in deze Advent, tijd van verwachting, wetend waar wij, volk van de stal, naar toe gaan.

We zijn hier ook dankbaar voor wie deze voormiddag instond voor het netjes maken van de kapel en de Taborzaal, voor de vrijwillige helpers bij de installatie in de Sint-Annastraat en voor wie zich inzet voor de geschenkenverkoop voor de Bond zonder Naam.

 

Voor mij staat het beeld van ‘De Profeet’, hand in de lucht, staf in de hand, luid roepend, een open kijk op de wereld.

 

Wouter, zondag 29 november 2009

 

afdrukbare versie (40 kB)