![]() |
||||||||||||
| |
||||||||||||
| Kroniek
van de maand maart 2009
Chris C. kon verleden week niet naar Tabor komen omdat ze wilde blijven luisteren naar een vriendin, die dat gesprek nodig had. Maar dat heeft haar aan het denken gezet over wat ‘gebed’ voor haar betekent. God breekt via het gebed door in het leven van de mens, dat dus is: erkend en bemind worden door God. Als wij die liefde beantwoorden stroomt die liefde terug naar God, bijvoorbeeld door de liefde, door de aandacht voor een medemens. Bidden is ook luisteren naar God, maar het luisteren naar die vriendin, was dus ook bidden! Stof genoeg voor de stille tijd in Tabor op 4/4.
De vergadering van de stuurgroep op 5/4 staat in het teken van de evaluatie van het bezoek van de visitatoren op 14/2 maar vooral van de voorbereiding van het optreden van Lea Gilmore met liederen van Mahalia Jackson. Hoeveel mensen mogen we verwachten?
Gerrit voelt de lente naderen, lentekriebels heet dat gevoel, grote schoonmaak noemt men het ook! Zowel bij Welzijnschakels in Lovendegem, als hier in Effata in de 40 dagen voorbereiding naar Pasen toe. “Grote mensen mogen de kaarsen niet meer aansteken”, merkt hij ironisch op in zijn verwelkoming voor de viering van 7/3, maar er zijn veel kinderen die dat wel willen doen. In deze vastentijd denken we na over de man die zichzelf apostel noemt, Paulus. Om over hem iets meer te weten is er het boek: ‘PAULUS, een kennismaking’ van Joël Delobel. Op blz. 22 schrijft de auteur in verband met het lezen van de brieven van Paulus, ofwel in hun eigen historische context, ofwel in een ‘synchrone’ (eigentijdse?) benadering, het volgende: “ In deze laatste gaat alle aandacht naar de tekst zoals die hier en nu voor ons ligt en als het ware een eigen leven gaat leiden, los van zijn oorsprong. Natuurlijk verwerft elke tekst na publicatie een zekere zelfstandigheid en is hij voor veel interpretaties vatbaar. De lezer kan in de tekst soms betekenissen vinden waarvan de auteur zich niet bewust was. ‘Publiceren’ betekent inderdaad ook: aan het publiek overleveren. Het risico van een uitsluitend synchrone interpretatie is evenwel dat de lezer alle voeling verliest met de oorspronkelijke bedoeling van de auteur. Dan dreigt ‘uitlegkunde, exegese’ vervangen te worden door ‘inlegkunde, eisegese’ naar de eigen smaak of van een heersende mode.” We zullen daarmee rekening moeten houden! Paulus was jood en bleef jood, hij heeft zich niet ‘bekeerd’ – zelf noemt hij het ‘geroepen’ -, maar in zijn tijd was het christendom een van de verschillende groepen binnen het jodendom. De joden waren (en zijn dat nog steeds) een speciaal volk, omdat ze maar in één enkele God geloofden. De anderen hadden vele goden, die kon je gemakkelijk in elkaar laten overgaan, maar één God, die kan je niet in een veelkleurig godendom onderbrengen. Die God, zeggen ze, heeft ons uitverkoren via Mozes’ wet in de Thora. Verspreid over de wereld noemden ze zich het uitverkoren volk en zelfs in het Oude Rome moesten zij, als enige uitzondering, niet aan de vele goden offeren. Paulus had die wet bestudeerd en hij trachtte zo eerlijk mogelijk voor God te staan. Dan komt er een groep, christenen, die zeggen dat zij Jezus de Nazoreeër volgen die juist het omgekeerde deed wat in de Thora stond: hij werkte met de Romeinen samen, hij ging om met prostituees en met belastinggaarders! Dat is Paulus teveel, hij vraagt toelating aan de hogepriesters om die christenen uit te roeien en hij dóet het ook. Dan komt voor Paulus de ommekeer, de roeping zoals hij het zelf dus zegt: hij ziet dat Jezus veel dichter bij God staat, dat Jezus wel het begrip ‘de joden als uitverkoren volk’ doorbreekt, maar dat God iedereen graag ziet, en de zieken, de gekwetsten, de uitgestotenen nog het liefst. Van dat alles vinden wij naklanken in ‘De Handelingen van de Apostelen’, waarin Lucas zowat 50 jaar na de feiten alles wat mooier en zeker uitvoeriger vertelt dan Paulus zelf die van heel die geschiedenis in Damascus niets zegt. Maar de (joodse) christenen hebben schrik van hem en zien dat hij zich niet in het joodse kader inpast: hij keurt de besnijdenis af, maar ook vele andere joodse gebruiken. Het is een lange tekst, die lezing uit de brief aan de Galaten (1,13 – 2,10), maar Paulus is heel duidelijk in zijn verdediging: zijn boodschap komt niet van de apostelen, maar rechtstreeks van God. Paulus had ruzie met de joden, met de christenen, met de mannen van aanzien in Jeruzalem. Maar hij herhaalt steeds weer zijn boodschap: God kiest geen speciaal volk uit, want alle mensen zijn gelijk voor God, door het doopsel mogen wij recht voor God staan. En van die mannen van aanzien in Jeruzalem, daar trek ik mij niets van aan: ik heb mijn best gedaan opdat iedereen zou weten dat God, die door alle mensen heen kijkt, aan onze kant staat. Wij bidden voor onze kinderen en kleinkinderen, voor iemand, helemaal alleen in een kliniek en om sterkte voor ons allen om de boodschap, dat Jezus alle gevestigde zekerheden doorbreekt, te brengen.
Na de viering van 7/3 volgt het concert van Lea Gilmore en Marc Borms ter eerbetoon aan Mahalia Jackson, een van de grootste vertolkers van gospelmuziek en voorvechtster voor rechten voor iedereen. Wie meezong of op een of andere manier meewerkte aan de gospelconcerten van de Damiaanactie, kent Lea Gilmore al, maar voor de anderen is dit een overrompelende ervaring. Wellicht was dit een afscheid van Lea Gilmore, voor mij is het een hernieuwde kennismaking met Mahalia Jackson, een wat weemoedig terugdenken aan die strijdbare vrouw.
‘Wat, Rabbijntje zal gebeuren’ is natuurlijk het basisstuk voor de koorrepetitie van 13/2 en mét énkele meisjesstemmen erbij, als embryo van het kinderkoor, begint het lied vorm te krijgen, maar er valt nog véél te schaven! Ook zingen we ter oefening nog eens ‘Gij zijt voorbijgegaan’, een tekst van Huub Oosterhuis op een oude, veel hergebruikte Franse melodie ‘Belle qui tiens ma vie’ van Jehan Tabourot (alias Thoinot Arbeau, een anagram dus). Die man was kanunnik in Langres (F) en leefde van 1519 tot 1595 en staat vooral bekend voor een methode om te leren dansen (zijn Orchésographie). Je weet zo maar nooit hoe ver je al zingend terugduikt in het verleden!
Het is de beurt aan Vincent om de Effatagemeenschap te verwelkomen op de viering van deze niet zo geslaagde lentedag (14/3). Weer samen zijn, energie krijgen of gewoon voor een deugddoende babbel, er te zijn voor elkaar. Wij denken verder na over die ‘niet zo simpele’ Paulus, zeven brieven kennen we van hem en dat zal maar een stukje zijn van wat hij echt geschreven heeft, maar brieven versturen was toen niet zo eenvoudig! Wij kennen hem feitelijk niet zo goed, maar vooral: wij stellen hem veel te hoog, na 40 jaar zijn moeilijke brieven beluisterd te hebben in het Nederlands… “Uit de brief van de apostel Paulus aan de christenen van Efeze …”. Was hij echt zo speciaal? Wij weten het niet … Maar wat we wel weten is dat hij zeer enthousiast was, dat hij zeker was dat God de nieuwe Messias zou sturen, tót hij begreep dat die in Jezus Christus al gekomen was: dat noemt hij zijn roeping. Hij verzamelt kleine groepjes mensen rond zich, ziet dat ze elkaar ruimte geven, dat ze elkaar graag zien, trekt zelf verder, schrijft brieven, krijgt brieven en beantwoordt ze. Zo’n brief lezen we nu: de korte brief aan Filémon die in Kolosse woont. Een verhaal als achtergrond, levensecht. Paulus, in de gevangenis in Efeze (vermoedelijk ca 54-55), omdat hij weer te enthousiast getuigd heeft dat de Messias al gekomen is. Hij krijgt bezoek van Onésimus, een slaaf van Filémon die, waarschijnlijk na een diefstal, gevlucht is. Filémon, een bekeerde christen, een welgestelde man, heeft Paulus en andere christenen in zijn huis ontvangen. Maar hij heeft ook slaven, die hij zoals gebruikelijk behandelt als een ding (Onésimus), geen mens, zonder rechten. Weglopen is zowat het ergste wat een slaaf kan doen: de meester doet alles wat hij kan om de slaaf terug te krijgen en hem een gruwelijk lesje te leren, om als voorbeeld voor de anderen te dienen. Onésimus komt dus bij Paulus en die stuurt hem terug, met een briefje voor zijn meester. Een brief geadresseerd aan de gemeenschap rond Filémon met groet en zegenbede, maar ook met een concrete vraag: “Neem Onésimus terug, niet meer als een slaaf, maar als een geliefde broeder.” En: “Ik kom op bezoek, zodra ik uit de gevangenis kom!” Wij weten niet hoe het afloopt, maar je kunt het je voorstellen: Onésimus keert terug, geeft het briefje aan zijn meester Filémon, die zucht eens en denkt: “Ik zal maar doen wat Paulus vraagt, en… hij komt het nog controleren ook!” Wij hebben gebeden voor wie het niet zo duidelijk kan zeggen, voor kleine Noor, pas geboren, dat ze een gelukkig leven zou hebben, voor de vrienden in Jebron in Aalst en in de Bremstruik in Roeselare, dat ze beiden ‘huis’ mogen zijn in onze samenleving. Het is de derde vastenzondag, de derde lotusbloem hangt aan de ring met de gebedsvlaggen uit de Himalaya, de gebedsvlaggen die ons herinneren aan ons vastenproject in India.
Als je zoals Lea, bij gebrek aan inspiratie, het dagevangelie kiest als onderwerp, en je dan nog een dag vergist, speelt het toeval wel erg mee, of is het de Geest die ons richt? In Tabor van 18/3 wordt dat dan de tekst Matteüs 18, 21-35 over vergevingsgezindheid. Zeventigmaal zevenmaal vergeven! Gaat dat onze krachten niet te boven? Alleen God kan dat, moeten wij dan als God zijn? Maar dat wil ik niet! Hoe moet ik dat verstaan? Wij moeten denken aan de liefde van God, ons ontworstelen aan de pijn, de onmacht, de kwaadheid. Wij moeten ons herinneren dat wij schuldenaars zijn van God, wij moeten het aan Hem overlaten ons mee te nemen in zijn liefde, wij moeten teruggaan naar de bron en dan wordt het ons misschien van daaruit ook mogelijk zoveel, zeventigmaal zevenmaal te vergeven.
Je kunt moeilijk beweren dat je bij Effata niet verwelkomd wordt: vandaag 21/3, is het met een bloemenkrans, in naam van Simalia. Dat is de naam van een dorpje in India, vertelt Bernadette, waar kinderen nu maar onderwijs kunnen volgen tot hun 9 de jaar, waarna ze moeten werken in de steengroeve of in het huishouden. Hier wil Caraes het schooltje verder uitbouwen om onderwijs mogelijk te maken tot het 12 de jaar. In een eerste omhaling brengen wij vandaag ons steentje bij. Zo op het eerste gezicht had Paulus het gemakkelijk om over Christus te spreken, in een wereld die nog niets van christenen af wist, die geen vooroordelen had en geen achterliggende gedachten kende. Paulus kon direct tot de kern van zijn betoog komen, zonder eerst heel wat bezwaren weg te werken. Herinner je zijn aanpak bij de slaaf van Filémon, als hij hem schrijft: “Filémon, ga naast uw slaaf staan, jij bent gewoon als ik en ik als jij!” Of pakken wij het verkeerd aan, leggen we cultuur niet teveel over christendom? Waarom kon Paulus mensen enthousiast maken en wij niet? Om dat te weten te komen is het best zijn brieven te lezen, bijvoorbeeld zijn brief aan de christenen van Filippi (Fil. 2, 1-11), een gemeenschap waar hij zich thuis voelt en die hij herinnert aan het lied over ‘Jezus Christus, de Heer’. Paulus is gepassioneerd door die Jezus, die mens geworden is zoals wij, met alle bang zijn, alle triestig zijn, die zich aan mensen heeft gebonden, zó dat er zelfs in de grootste eenzaamheid, als je ziek of gevangen bent, toch iemand bij jou is. Paulus kon tot de kern gaan, zonder afgeleid te worden door wie, wat, waar, wilde zijn, door allerlei oneigenlijke problemen, door macht of aantal. Paulus zegt: dat is allemaal weg, hoofdzaak is dat er iemand is die je broer of je zuster wil zijn. Dat doet ons wéér denken aan Filémon, die de wereld op zijn kop ziet staan: een slaaf wordt broer, waar je respect moet voor hebben. Dat doet ons vooruit denken aan Pasen, weten dat we voor altijd een geliefd kind van God zijn, meer en meer in die sterkte leven en ons de vraag stellen: “Waar haal jij uw geluk vandaan, hoe weet jij dat God dicht bij mensen is?” Wij worden stil bij het gebed van een wenende vrouw: “Keer u om naar ons toe, keer ons toe naar elkaar!”
Vandaag, 25/3, viert pater Hermann ten Winkel de verjaardag van zijn professie, 50 jaar geleden. De ganse Effatagemeenschap heeft hem hiermee geluk gewenst, aangezien ze hem hebben leren waarderen als een vriendelijke en bedachtzame provinciaal.
Tabor van 25/3, met heel veel hulp van Frans C ! Die heeft een heel mooi verhaal gelezen, een verhaal dat feitelijk niet kan, maar dat eigenlijk gaat over ontmoeten, over echt diepgaand contact, over liefde. Over ‘ja’ zeggen in vertrouwen, in bereidheid om samen op weg te gaan. Het verhaal komt uit Lucas, 1, 26-38, en het gaat over de boodschap aan Maria door de engel Gabriël, nu juist 9 maanden vóór Kerstmis, wie rekenen kan, mag! Heel belangrijk in dat verhaal zijn de woorden: “Want voor God is niets onmogelijk.” Dat is een aankondiging aan Maria, maar ook aan ons, van de zorg van God voor al wat met ons gebeurt, God die ons genade schenkt, maar die niet opdringt. Die zin kan ook een gevoel van almacht oproepen, maar Gods liefde dwingt niet, wij hebben keuzevrijheid, net zoals Maria die had, onvoorwaardelijk.
Koorrepetitie 27/3: Er komt spanning in de lucht: Pasen nadert, met de doop van Josefien. In’Rabbijntje’ doen de kinderen hun best, maar ze moeten (net als de groteren) meer naar de dirigent kijken; in ‘Wie zijn leven niet wil geven’ moet dat allemaal als een uitnodiging blijven klinken, niet als een dreiging: dus, zingen met enige tederheid! Ook het Uittochtlied wordt verder ingeoefend: wat een tekst: ‘Sprekend alleen zullen wij op Hem lijken, …!’
Verzoeningsviering 28/3: Paulus zal het toch niet echt zo gemakkelijk gehad hebben om zijn nieuwe boodschap te brengen, want ook hij kon niet volledig opnieuw beginnen. Ook híj droeg zijn verleden mee, hij was een jood, opgeleid als Farizeeër, ook híj moest alles achterlaten, dat zal niet gemakkelijk geweest zijn, daar zal hij angstig voor geweest zijn. Hij weet dus wat het is als hij naar de christenen in Kolosse schrijft ( Kol. 3, 9b-17) over nieuwe mensen en een nieuw kleed aantrekken. En zijn uitnodiging is ook naar ons toe: ook wij mogen nieuwe mensen worden, wij zij vrije mensen door Hem. Wij mogen een nieuwe start nemen, niet het slachtoffertje blijven spelen, ons verleden verlaten, denken aan vandaag en aan onze toekomst. Geen grootse daden beloven, één enkele kleine afspraak maken met onszelf, weten dat God liefde is, vertrouwen en hoop hebben in de toekomst. Weer komt dat verzoenende gebaar, die handen op mijn hoofd, de vrede ons toegewenst, opluchting en nieuwe moed. Wij bidden voor vrienden die problemen hebben met hun opgroeiende kinderen, voor mensen met grote zorgen door de crisis, voor zieken en overledenen, voor een nieuwe toekomst voor Welzijnsschakels in Lovendegem, wij danken voor pater Hermann ten Winkel die de 50ste verjaardag van zijn professie vierde en voor het teken van verzoening en barmhartigheid dat we mochten ontvangen. Nu kijken we uit naar de grote feesten, naar Pasen.
Wouter, zondag 29 maart 2009. Narcissen, een weelderig geschenk van Roze-Anne, bloeien overal!
|
||||||||||||