![]() |
||||||||
| |
||||||||
| Kroniek
van de maand maart
Guido heeft zijn mooiste kazuifel aangedaan, want we beginnen vandaag, Aswoensdag, een mooie tijd. Een tijd om uit te zoeken waar we heen willen, om een kaart te nemen en onze koers opnieuw te bepalen. Als we kunnen doen we dat met een GPS-systeem, waarbij God, als we voorbij onze bestemming rijden, zegt: “Je wilt daar komen, maar je rijdt te ver, ik bereken je weg opnieuw, Na de viering is er koorrepetitie voor het grote 100/10/1 feest, een repetitie die wat de vierstemmige Majellamis betreft meer dan nodig blijkt te zijn! Donderdag 2 maart: opzetten van de tentoonstelling in de Taborzaal en vergadering van de stuurgroep waar we de kennismaking in het najaar met andere lekengroepen, die aanleunen bij de spiritualiteit van de redemptoristen, voorbereiden. Zaterdag 4 maart 2006: een luisterrijke dag voor Effata: het 100/10/1 feest is er eindelijk, Tabor handelt over roeping en hoe moeilijk het is om die in de praktijk om te zetten. Een rijke man die niet de hemel binnen geraakt en het oog van de naald zijn beelden, misschien uit een verder verleden, maar antwoordt toch maar op de vraag: “Geloven wij nog in wonderen?” Met het beeld van het 100/10/1 feest voor ogen zou ik volmondig “Ja” zeggen! Op de repetitie leren we in sneltempo 121 ‘Als mensen samenkomen’ aan. Het is van J.S. Bach en niet zo heel moeilijk, maar de tekst is heel goed van toepassing op onze gemeenschap. We leren smeken in 114 ‘Dit huis vol mensen’ en we oefenen de Majellamis tot we op automatische piloot terechtkomen en Guido op Freddy Quinn (Die Gitarre und das Meer) begint te lijken. Als 105B ‘Thuma mina’ weer vlot door de zaal klinkt, zijn we voorbereid op de volgende viering. Guido verwoordt de dank van velen voor het feest van de voorbije zondag waarbij de boventoon was dat men blij is dat wij hier samenkomen. Wij beginnen vandaag, 11 maart, met de twee eerste werken van barmhartigheid, die ons met een warm hart doen kijken naar de mensen rondom ons. Voor ‘de hongerigen spijzen’ en ‘de dorstigen laven’ lezen we in Joh. 6, 1-15 het verhaal van de gerstebroden en de vissen, van het vertrouwen van een eenvoudige jongen, van eraan beginnen en niet wachten tot allerhande organisaties het gehele probleem opgelost krijgen en van ons vrij te maken van het gevoel dat wíj, gewone mensen, niets meer moeten doen. De eerste twee vensters van het vastenhuis worden geopend op de prachtige schilderijen van de Meester van Alkmaar. Magda spreekt over de Wereldwinkels, die zorgen voor aankoop bij kleine boeren en voor een coöperatieve prijsbepaling, die helpen door prefinanciering en overbruggingskredieten en die door projecten op lange termijn de toekomst verzekeren. Als wij dus niet solidair zijn door aankoop van die producten van eerlijke handel, zelfs aan een hogere prijs, wie zal dan wel solidair zijn? Op 16 maart maken we kennis met twee Redemptoristinnen van het nu gesloten klooster in de Katelijnestraat te Brugge die in Harelbeke een woning hebben gevonden en zich daar op hun manier in de parochiewerking hebben ingeschakeld. Zij leggen er terecht de nadruk op dat zij hun roeping trachten verder te beleven en op hun gebedsleven. Wij luisteren naar elkaar omdat we allemaal het christelijke leven willen laten uitgroeien in alle richtingen, contemplatief of actief, en dat in het kader van de droom van Effata: een plaats waar allen kunnen samenleven, met respect voor de keuze van hun roeping. Derde ‘zaterdag’ van de vasten op 18 maart: Annette vraagt dat we onze harpen op elkaar zouden mogen afstemmen. Vandaag spreken we over de twee volgende werken van barmhartigheid: ‘de zieken bezoeken’ en ‘de gevangenen opzoeken’. Wat dat laatste betreft wijst Guido op een traditie van 30 jaar zingen in de gevangenis op vijf hoogdagen in het jaar. Dat zingen geeft voor de gevangenen ambivalente gevoelens: enerzijds is er dat pijnlijke gevoel van ‘wij blijven hier en zij gaan weer weg’, maar anderzijds is er het feit dat wij er altijd zijn, ook op Kerstmis na de nachtmis om samen met hen zingend te vieren. Het evangelie is uit Matteüs 8, 5-17, over de genezing van de knecht van de centurio en de genezing van Petrus’ schoonmoeder, maar vooral over een groot vertrouwen. Lena spreekt over de vrijwilligers in de palliatieve zorgen, over ondersteuning in de zorg, niet om het verplegende personeel te vervangen maar om een beetje ‘maatschappij’ binnen te brengen, over het helpen bij de maaltijden om zo iedereen op maat en wanneer men het wil een eigen maaltijd te geven binnen die drukke ziekenhuissfeer en over de ondersteuning van de dikwijls ontredderde familie door ‘mantelzorg’. In de repetitie van 24 maart oefenen we toch nog maar verder de Majellamis in en daarbij is Walter’s ‘ik geloof’ zo duidelijk dat het is alsof hij onmiddellijk martelaar wil worden. Het wordt al een beetje paassfeer want nu herhalen we de liederen voor de Paasweek: ‘Blijf nu hier …’, ‘Waarom hebt Gij mij verlaten’ en het wondere ‘Dan zal ik leven’. Het lied van de mens (3) hoort er ook nog bij, maar dat is niet meer zo duidelijk voor ‘Wat, rabbijntje zal gebeuren als …’ en helemaal niet voor ‘Tineke van Heule’, maar het is verfrissend zingen en het doet deugd. Op 25 maart verwelkomt Gerrit ons voor de viering, maar het is ook zijn taak Broeder Eduard, een zwarte novice van de Broeders van Liefde uit Tanzania te verwelkomen en hem als tolk bij te staan in zijn verhaal hoe ze daar bij hen de werken van barmhartigheid beleven: de tafel dekken voor vluchtelingen, geestelijke dorst lessen door cursussen te geven, dakloze vreemdelingen herbergen, als vriend zieken begeleiden tot hun terugkeer in de maatschappij en jongeren helpen in hun rehabilitering tot het normale leven. Dat verhaal sluit naadloos aan bij het evangelie uit Matteüs 15, 21-28, dat vertelt hoe ook Jezus heeft leren om te gaan met mensen die anders zijn en een stap heeft moeten zetten om het grote vertrouwen te zien in de Kananese vrouw die om hulp roept voor haar dochtertje. Wij denken na over de vraag: “Wat heb jij gedaan voor de minsten?” en wij bidden voor de kleine moedige zuster Sabine die haar apostolaat in Venezuela verder zet en voor een jongen die het leven niet meer aankon. Lut leidt ons op woensdag door het Tabormoment op tekst van Joh. 12, 20-33 met het beeld van de graankorrel die moet sterven om brood te worden, om te leven. Wij worden uitgenodigd om ‘leven’ prijs te geven en zo opnieuw te groeien naar het Leven. Op 31 maart komt een kleine groep samen om de komende vieringen van de Paasweek voor te bereiden. Ook de ontmoetingsdag ‘Het leven delen – samen bouwen’ op 1 oktober 2006 met leken en paters redemptoristen uit de gehele Sint-Clemensprovincie krijgt stilaan vorm.
Het was een feestelijke maand met herinneringen en dankbaarheid, een aanzet voor de toekomst. |
||||||||