effata-logo
Kroniek van de maand juni 2007

De grote kerkelijke feesten, Pasen en Pinksteren, zijn voorbij. Maar om niet uit de gewoonte te vallen is het vandaag, 2 juni, weer feest: Drievuldigheidszondag en het is Lies, een ietsje zenuwachtig, die de gemeenschap verwelkomt.
Voor de Joden en de eerste christenen is er geen probleem: je kunt je God op verschillende manieren voorstellen. Maar na de grote christenvervolgingen wordt het meer dan nodig om uit te leggen wat christendom is. Natuurlijk is niet iedereen akkoord: er ontstaat onrust, onder meer door de leer van Arius. Keizer Constantijn de Grote roept in 325 het Eerste Concilie van Nicea bijeen, en in de geloofsbelijdenis van Nicea wordt het geloof in één God en de goddelijke natuur van Jezus bevestigd. Door het Concilie van Constantinopel van 381 wordt de Heilige Geest als derde persoon van God vastgesteld en dus ook de christelijke leer van de triniteit.
We lezen als evangelie uit Johannes 16, 12-15, een hermetische, moeilijk toegankelijke tekst.
Velen hebben getracht de Drievuldigheid met beelden uit te leggen: Augustinus die aan een spelend kind aan het strand zegt dat je de zee niet in een putje kunt scheppen, drie lucifers die samen één vlam geven, een klaverblaadje.

Maar God is niet in een beeld te vatten. In het Sint-Jakobskerkje uit de 12de eeuw in Urschalling (D) aan de Chiemsee, bevindt zich een fresco dat de Drievuldigheid voorstelt: een wezen met drie hoofden, twee armen en twee handen, twee voeten, gevat in een witte mantel.

Drievuldigheid

De afbeelding werd rond 1550 op pauselijk bevel overdekt met een kalklaag, wellicht omdat de middelste figuur duidelijk een vrouw is; in 1923 werd de afbeelding toevallig teruggevonden. Waarom moest dat beeld verdwijnen: Pinksteren is toch: ‘wind in beweging’: ruach, pneuma, spiritus, naar keuze vrouwelijk, onzijdig, mannelijk?
Dan bidden we tot de Geest: “Zend uw adem neer over allen die aan de toekomst bouwen.” Voor mama’s die hun kindje in alle drukte vergeten, voor wie zijn gebed met moeite geformuleerd krijgt, voor alle mama’s en papa’s bidden wij: “Vul ons met de warmte van uw Geest”.

In Tabor op 6/6 blijft Pinksteren nazinderen. Zoals Nicole zegt: “Goed dat wij zelf op tocht mogen gaan, de blijde boodschap doorgeven, de zaligsprekingen levend maken, schouder aan schouder werken aan een betere wereld.” Dus bidden we voor wie het moeilijk heeft de gebreken van anderen te aanvaarden, danken we omdat we in Effata ervaren de wereld een beetje beter te kunnen maken en bidden we voor al die jonge mensen die nu in de examenperiode zijn.

In de stuurgroepvergadering van 7/6 ligt de nadruk uiteraard op de voorbereiding van de ontmoetingsdag: het einde van het Effatajaar nadert!

De koorrepetitie van 8/6: inoefenen van de vierstemmige versie van ‘Wie zijn leven niet wil geven’. Tenoren en bassen met Guido op het doksaal, sopranen en alten met Ilse in de Effatazaal, daarna allemaal samen: moeilijk, maar mooi!

In de viering van zaterdag 9/6, 10de zondag door het jaar, denkt Gerrit, op de avond van verkiezingszondag, in zijn verwelkoming aan onze keuze voor vrijheid en tegen discriminatie.
Dan mag ook Jade met de tut in de mond aan de hand van grote zus Julie ‘haar’ kaars aansteken.
Het evangelie (Lucas 7, 11-17) vertelt een wonder verhaal, een verhaal van twee stoeten. Maar eerst letten we er op dat het de eerste keer is dat Lucas Jezus noemt als ‘de Heer’, een titel voorbehouden voor de keizer (ό Κυριος): denkt hij hier aan de verrezen Christus? Maar goed, er zijn twee stoeten: één stoet die naar de stad Naïn gaat, Jezus die naar de stad gaat en steden zijn niet rustig, hebben geen goede naam … De tweede stoet: een moeder, weduwe, die haar enige zoon ten grave draagt, een lijkbaar gedragen door dragers. Het ontroert Jezus, hij troost haar, en doet wat hij als gelovige Jood niet mág doen: hij raakt de lijkbaar aan en hij geeft de zoon terug aan zijn moeder, hij geeft het leven door. De dragers doet hij staan: hij houdt hén recht die iets doen om de samenleving staande te houden.
Tijdens de communie speelt Ine op haar dwarsfluit, moedig, mooi, beloond met een welgemeend applaus.
Zoals Els, Jade aan de hand, leest in de bezinning: “Sedert die eerste Pasen, draagt elke zondag de oproep om ons over te geven aan al wat mensen beter laat leven.”
Het is vaderdag, in Effata ‘Mannendag’ en Miet verrast ons in naam van de vrouwen met een mobiel van lachende gezichtjes en een gelijkaardig aandenken om ons er aan te herinneren dat “Al wat jou toelacht … wil je knuffelen. Als je veel knuffelt … lacht alles jou toe!”
Bedankt, Roze-Anne, voor al dat werk en het lachende resultaat!

Uw kroniekschrijver gaat soms ook eens op reis en dan springt iemand anders in om een impressie, over wat er in Effata gebeurt, te schrijven. Voor de viering van 16/6 en Tabor van 20/6 heeft Bernadette dit gedaan: hierna haar tekst met héél veel dank!

Voor de Effataviering van 16/6 lezen we het evangelie uit Lucas 7, 36-50, het verhaal van de boetvaardige zondares.
Iedereen stelt zich Jezus op een bepaalde manier voor: geïnspireerd door beelden, door film (Jezus van Nazareth, Jezus Christ Superstar) of andere inspiratiebronnen die ooit indruk op ons maakten. Over wat Jezus deed, denken mensen vaak dat hij vooral aandacht had voor armen en kleinen. Toch staan in het evangelie ook heel wat verhalen waarin Jezus te gast is bij belangrijke personen, zoals in wat we vandaag lezen. De kern van het verhaal doet ons nadenken over onze betekenis als christen. Jezus maakt duidelijk dat de vrouw liefde betoonde en daardoor vergiffenis krijgt voor haar fouten, dat God alle mensen lief heeft, zelfs tot in de dood. En wat doen wij met deze liefde? Het volstaat niet eventjes mild te zijn bij een omhaling van Welzijnszorg of Broederlijk Delen, neen: iedere dag vraagt God van ons, onze liefde te delen met mensen rondom ons, van zijn naam een werkwoord maken en dat werkwoord in alle vormen en wijzen te vervoegen.

(Een kleine parenthese: Lou en ik waren op 17/6 in Vézelay (F), toevallig juist op tijd voor de viering van 11.00 uur in de Sinte-Maria-Magdalenabasiliek, een kerk ‘overgenomen’ door de ‘Fraternités monastiques de Jérusalem’. Een gans andere sfeer dan bij een Effataviering, en toch was er iets dat mij sterk aan Effata deed denken: de aanwezigheid van mentaal gehandicapten in de viering. Bij het delen van brood en wijn gingen ze ook naar voor en ik vergeet nooit meer de liefde en de zachtheid in kijken en doen van twee jonge vrouwen die hun diep mentaal gehandicapte vriendin begeleidden én het vertrouwen van die vrouw in haar vriendinnen.)

In de Tabor op 20/6, voorbereid door Bernadette, gaat het over geluk, meestal in verband gebracht met rijkdom, gezondheid, carrière, …
Maar geluk staat ook in verband met stilte: zie het verhaal van de profeet Elia (1 Kon 19, 11-13). Nadenken over het leven, contact zoeken met ons diepste zijn, spreken met God: dat zijn zaken die in ons geboren moeten worden en dat heeft stilte nodig. Soms moet je stilstaan om te weten waarheen je op weg zijt. Stilte kan ons eerst wel onrustig maken, maar dan kan stilte ons reinigen: alle overtollige zaken spoelen van ons af. Zo kan de stilte ons helen: zij brengt onze diepste vragen en verlangens naar boven, in evenwicht, zodat we er nieuw en fris kunnen naar kijken. Dat kan je echt gelukkig maken.
Op 22/6 is er de laatste koorrepetitie van dit werkjaar: nu moet: ‘Wie zijn leven niet wil geven, …” (184) juist gezongen zijn. Er zal later wel blijken waarom dat lied nu zo belangrijk is!

Zoals Nicole zegt in haar verwelkoming op de Effataviering van 23/6, nadat ze de tekst van dat lied (184) geciteerd heeft: dit is de reden waarom we samenkomen: ‘Wie wil geven wat hij heeft, die zal weten dat hij leeft.’
Guido is in Essen samen met pater Hermann, dus leidt Bernadette de woorddienst. Wij vieren vandaag het geboortefeest van Sint Johannes de Doper; we lezen het evangelie volgens Lucas 1, 57-66&80, in feite een bekend verhaal want we hebben ook in de advent Johannes de Doper gevolgd en daarom staat aan het altaar weer die prachtige Johannesicoon. Ook Johannes’ vader, Zacharias, is belangrijk: hij twijfelde en werd er letterlijk stil van: spreken kon hij niet meer tot hijzelf aangegeven had dat zijn kind Johannes, ‘God is genadig’, zou heten: genadig voor hen die al op oudere leeftijd waren. Ook Johannes zoekt en denkt na over zijn roeping, hij twijfelt: “Zijt Gij het die komen moet?” Ook wij mogen twijfelen, wij mogen ook onze weg gaan.
Het wordt vakantie: het is dan anders dan anders, we kunnen de dingen van elke dag even opzij zetten, de woestijn intrekken, nadenken hoe het verder kan. Het evangelie van vandaag komt dus juist op tijd …
We bidden voor wie nog studeert, voor wie niet op vakantie kan gaan, voor Guido en die paters en priesters die in moeilijke tijden getuigen van twijfelen en geloven en dat we niet zwaarmoedig worden, maar oog hebben voor al wat rond ons gebeurt.

Met Genesis 1:31 – 2:3 plaatst Frans op 27/6 het Tabormoment onmiddellijk in de vakantiesfeer: God neemt de tijd om afstand te nemen, te genieten van zijn schepping, los te laten. Veel mensen hebben het daar moeilijk mee, kijk maar hoe ze hun vakantie ‘plannen’, in plaats van te onthaasten, als een ‘haas’ die lui in het veld ligt. Genieten, rust ervaren is vertrouwen dat er iets onverwachts komt: denken aan wat Jesaja zegt: “ Hij die gelooft, haast niet”. Hij wacht op de belofte die zal uitkomen, ervaart Gods glimlach in elke stap die hij doet, in elke bloem die hij ziet bloeien, in elke vogel die wegfladdert.
Het wordt vakantie, ook voor die studenten die geen goed nieuws kregen, en we bidden voor hen en voor al wie moeilijke tijden doormaken.
Het wordt vakantie, ook voor Tabor, en dus sluiten we af met een drankje en héél lekkere taart.

1/7 Ontmoetingsdag. Ja, ik weet het, het is al juli, maar traditioneel is de ontmoetingsdag de afsluiter van het Effatawerkjaar en nu is dat toevallig de eerste dag van juli! Tegen de Ukkelse verwachtingen in, schijnt de zon, er is heel veel vrolijk volk, Guido draagt zijn zonnigste gewaden. Filip zit klaar aan de piano, Dirk stemt zijn viool. Annette verwelkomt ons allen voor deze slotviering, ze trekt de aandacht speciaal op het openingsgebed dat spreekt van samenkomen, delen, ontmoeten. Je voelt dat hier een echte gemeenschap bijeenkomt. De vele kinderen krijgen als opdracht: elk één kaars aansteken, dan kan elk wat doen om het licht aan te brengen. Op het altaar ligt de nieuwe, prachtige altaardwaal en het mooie bloemstuk ziet er verraderlijk eenvoudig uit.
Verleden, heden en toekomst beletten ons soms, dikwijls, te doen wat ons hart ons ingeeft. Uitstellen om een dwaze, ongewilde ruzie bij te leggen. Betwijfelen of het nú wel mogelijk is, anderen te helpen, als je het zelf al zo moeilijk hebt. Niet kunnen kiezen tussen ideaal en werkelijkheid. Het evangelie (Lucas 9, 51-62) vertelt er ons alles over. Blijf niet ruziën met de Samaritanen, omdat die uw reisdoel niet aanvaarden. Blijf niet hangen, ga naar een ander dorp.
Wil niet teveel weten of wil niet teveel nog doen, want dan ben je ongeschikt voor het Rijk Gods. Kom met niet teveel smoesjes af, doe wat je vandaag kunt doen: Hem volgen.
Vandaag is het de dag van verleden, heden en toekomst: één lied staat centraal, moeizaam aangeleerd, zoekend, twijfelend. Guido citeert de tekst, want het is vooral de tekst die pakt, samenvat: als je wilt weten dat je leeft, deel dan met anderen, al is het mogelijk dat je ‘opgegeten’ wordt. Wat dat betekent, begrijpen ouders, of zij die van iemand houden, of zij die zich voor anderen inzetten, wel.
Na de communie zingen de kinderen hún lied: “Laat ons de aarde aan de kind’ren geven opdat z’er tenminste voor een dag mee spelen, …” Zij menen het echt en dat doet deugd, zij zijn ‘de dag van toekomst’.
Toekomst en springen in het onbekende: in de bezinning klinkt dat ook door: “Als je de deuren van je hart openzet, riskeer je mens te worden naar Gods beeld en gelijkenis.”
Dan danken en bidden we, vooral voor het werkjaar dat voorbij is, voor het samenwerken, voor de steun die we aan elkaar hadden, voor de rijkdom en de vriendschap die we konden geven en ontvangen. Wij bidden dat er ook bij ons telkens opnieuw mensen zouden zijn die met hun grote hart voor Jezus naar de anderen zouden gaan, zoals ‘majoor’ Bosschardt van het Leger des Heils, die op 94-jarige leeftijd is overleden en die gisteren met heel veel eer werd begraven.
Dit jaar kunnen we alleen maar eindigen met wat hét Effatalied moet zijn, zowel qua inhoud als wat rijkdom van de muziek aangaat, mét het vierstemmige koor én het volk als vijfde stem, met Guido én Ilse als dirigenten:

Wie zijn leven niet wil geven,
niet wil delen met zovelen,
met een ander, gaat verloren.

 Wie wil geven wat hij heeft,
die zal leven, opgegeten,
die zal weten dat hij leeft.

Het is een waardig einde van deze slotviering, ontroerend door dankbaarheid en herinnering voor al wie dit jaar maakte, voor Guido die nog zoveel tijd vrijmaakte voor Effata. Er is een aandenken, armbandjes uit Mali en vriendschapsbandjes, want “op vriendschap staat geen vervaldatum”, met een schalkse verwijzing naar de streepjescode op het altaarstuk.
We feesten samen, dus is er eerst lekkere Sangria als aperitief en dan de steeds weer heerlijke beenhesp met groenten en frietjes. Het beroemde Effatadessertenbuffet als bewijs van zoveel culinaire kennis sluit de dag af.
Het weer is zonnig gebleven, de kinderen hebben volop kunnen genieten van hun springkasteel, de wat oudere kinderen hebben gebowld, jonge ouders hebben genoten van wat vrije tijd.

Het is nu tijd om dankbaar te zijn voor al wat we kregen in Effata, voor mensen die we op onze weg ontmoet hebben en voor wie we iets mochten betekenen, voor vrijwillige hulp, voor die losse bevrijdende babbel, voor het zingen in groep, voor de tuin buiten en voor bloemen op het altaar, voor mooie gewaden, voor al wie is komen poetsen na de ontmoetingsdag.
Tijd om na te denken over verleden, heden en toekomst.
Tijd om te denken aan hen die we missen.
Tijd om te hopen.

 

Wouter, dinsdag 3 juli 2007

 

afdrukbare versie