|
|
|
|
Kroniek
van de maand juni
De stuurgroep vergadert op 1 juni.
We bereiden onder meer de ontmoetingsdag voor en noteren dat er al drie kandidaten zijn voor de Plechtige Communie volgend jaar.
Uw kroniekschrijver neemt even een welverdiende vakantie in het zonnige Frankrijk, maar kan hierdoor zelf geen gegevens voor deze kroniek verzamelen.
Geen nood: Bernadette helpt een handje: ik word dus zelf lezer van mijn eigen kroniek!
Zaterdag 3 juni is het Pinksteren, het feest van de Geest die onder ons werkzaam is.
Leven vanuit Gods Geest is weten dat God bij ons is, dat Hij ons niet alleen laat: we staan er niet alleen voor. En we stellen dan ook soms vast dat de gedrevenheid waaruit we dingen doen niet alleen uit onszelf komt, dat het niet alleen wij zijn die het doen, maar dat we door Gods Geest gestimuleerd worden.
In de Tabor van 5 juni heeft Frans de tekst van Efeziërs 5, 8-10 gekozen ter overweging.
Het is een rijke tekst over leven in het licht met doenbare oproepen: wees niet onverschillig als er kwaad gebeurt, kom actief op voor het goede, bid om te luisteren, uit te spreken en te danken, zoek evenwicht tussen jezelf en je naaste, en wees dankbaar voor wat je krijgt en zeg dat ook aan de mensen die het je geven en aan God die om je geeft.
In Effata kennen wij ook wel Vaderdag, maar wij hebben er ‘Mannendag’ van gemaakt, om zeker niemand te vergeten. Die dag valt op 10 juni. Kunnen dromen is heel belangrijk in het leven, vervelende dromen maken ons echter niet echt gelukkig. De vrouwen hebben daarom met heel veel geduld en vaardigheid voor elke man een dromenvanger gemaakt: hun inspiratie vonden ze bij de indianen. Zo’n dromenvanger hang je boven je bed of aan een deur om het kwaad te beletten je ziel, als je slaapt, te betreden. De cirkel vangt de boze gedachten die trachten je geest binnen te dringen en beschermen je tegen nare dromen. Die worden gevangen en ze worden onderin het net bewaard tot de eerste zonnestralen ze vernietigen. Goede, fijne, prettige dromen vinden hun weg naar de ring en ze komen in het leven van de dromer terecht. De legende zegt dat de dromenvanger maar echt werkt als je hem van iemand kríjgt. De vrouwen hebben met plezier elke man een dromenvanger gegeven om hen vele zoete dromen toe te wensen.
Zaterdag 17 juni, een gewone viering in Effata. We zingen over God met wie alles begon, ook de mens met zijn handen om rozen te plukken en het altaar ermee te versieren.
We lezen in Marcus 4, 26 – 34, twee parabels. Jezus legt ze niet uit aan de mensen, alleen aan de apostelen en dan nog achteraf: parabels zijn om te leven, niet om te leren.
De eerste parabel gaat over de boer die zaait, dan slapen en rusten gaat en dan komt oogsten.
Het is niet de boer die het zaad doet groeien, het zaad groeit uit zichzelf.
De andere parabel gaat over het mosterdzaadje, waaruit een prachtige boom groeit met takken waarin de vogels nestelen, een beeld dat al voorkomt bij Ezechiël (hoofdstuk 31) met het verhaal over de trotse ceder.
Maar wat moeten we daar vandaag mee doen? Guido vertelt over de vraag die hij aan zijn confraters heeft gesteld: “Waar halen wij de pretentie vandaan te denken dat wij met zo weinigen een opdracht hebben waar al die miljoenen mensen zitten op te wachten?”
Wij hebben toch maar één opdracht: mensen met passie het evangelie vertellen? Als de boer die zaait en weet dat het zaad uit zichzelf groeit, zó het goede woord brengen dat God om alle mensen bekommerd is, dat alle vogels in Gods boom een plaats hebben. We hebben maar één keuze: óf zoeken om zielen te ‘vangen’, óf zeggen waar wíj van leven, zaaien en wachten. Daarbij moeten we goed voor ogen houden dat mensen maar overtuigd worden, niet van de boer die zaait, maar wel van de oogst die binnengehaald wordt. Daarvoor moeten we zoals het in de bezinning staat: leren geduldig te zijn en leren de tekenen des tijds te zien en te verstaan.
Dan bidden we voor kinderen die verdwenen zijn, voor kleine mensen, voor priester Johny De Mot die mensen zonder papieren helpt, voor de redemptoristen die volgende week in kapittel bijeenkomen in Matran. En vooral voor dat laatste zingen we van de hoop die niet zal doven.
Op 21 juni is er Tabor. Bernadette leidt ons door de pedagogie van het evangelie, ook als geloof niet (meer) vanzelfsprekend is, naar Lucas 24, 13-35: het verhaal van de Emmaüsgangers.
Niet blijven zitten, maar samen op weg gaan, ons niet opsluiten. Maar soms ontgoocheld zijn om alles wat rondom ons en met ons gebeurt. Toch kiezen voor tactvol menselijk contact. Spreken en luisteren, vertrouwen geven en krijgen. Durven ter sprake brengen wat ons leven kleurt en bepaalt, ook het evangelie. Deugddoend bevrijdend Gods geloof delen en de vreemde en het vreemde, het onbekende toelaten in ons leven. Danken om het goede in het leven van elke dag in stille gebedsmomenten en meer bewust in de eucharistie zoals Jezus het ons heeft geleerd.
Hij toont de weg langswaar wij opnieuw kunnen bemoedigen, hoop geven en blijde boodschap zijn: dat is onze zending.
Anders komen we altijd samen op zaterdag, maar de ontmoetingsdag is steeds op de laatste zondag, dus op 25 juni. Alles is er om feest te vieren: licht, bloemen, vrolijke sfeer, veel kinderen, veel blije gezichten en Filip aan de piano: “Wij komen biddend voor U staan.”
Alleen het weer is niet zo denderend: het springkasteel staat er buiten wat nat bij, ook wel niet helemaal tussen de lijntjes, maar daar is het wel wat té groot voor …
De lezing komt uit Marcus 4, 35-41, over Jezus die slaapt, in de storm op het meer van Genesareth in de kleine boot die vol water dreigt te lopen. De vraag aan de apostel: “Waarom ben je bang, waarom geloof je niet in jezelf, waarom heb je niet getracht de storm zelf te stillen?” is een beeld van mijn eigen leven: als je in de storm komt, zet je dan recht en doe er zelf iets aan!
Guido kijkt terug in zijn leven, in het leven van Effata. Einde juni 1986 beslist Guido weg te gaan uit het klooster in de Voskenslaan, met de stellige belofte om er terug te keren, om drie jaar in Parijs moraaltheologie te studeren. Einde juni 1996 beslist de groep die zich in de Afrikalaan thuis voelde, toch de overtocht te wagen naar de Stropstraat bij de Broeders van Liefde. Weg van de grotere groep gelovigen, zich gaan begraven in het centrum, tussen mensen met een mentale handicap, met een vraag: “Zijn we daar wel welkom?” en andere vragen over de financiële kant van de overstap? En neen, mensen met een mentale handicap bijten niet: wel zoenen ze van vreugde omdat ze welkom zijn! Einde juni 2006, juist vóór deze ontmoetingsdag, komt het kapittel van de nieuwe Sint-Clemensprovincie van de redemptoristen bijeen en dat vraagt aan de redemptoristen en de Effatagemeenschap om te onderzoeken of er een nieuw pastoraal project in Gent mogelijk is. Weer naar de overkant? Het wordt een moeilijk jaar, waar we diep zullen aangesproken worden, maar de ervaring leert dat we als gemeenschap sterk genoeg staan, gewoon door te betrouwen op Jezus’ woord om de overtocht te wagen en samen de stormen van het leven te bedwingen.
De liederen bemoedigen ons met woorden als: één van geest, onverdeeld van hart, weg alle harde woorden, wrok en tweespalt: alleen vriendschap en liefde, als bevrijde mensen tesamen de levensweg gaan, sterk staan en zo nooit ondergaan.
An leest de bezinning, een tekst van Carlos Desoete, met wat kleine aanpassingen geschreven op onze gemeenschap: praten, ontmoeten, stappen zetten, een droom realiseren, samen gospels zingen, afwassen, veranderd zijn: alleen weet niemand hoe, wanneer of waar.
Wij bidden met woorden van Toon Hermans voor een vriend die in diepe nood zit: “Je hebt iemand nodig, stil en oprecht, die als het er op aan komt, voor je bidt en voor je vecht”. We danken voor de vele bloemen die in Effata zijn gebloeid en voor de vele vlijtige liesjes die duidelijk maken dat God van mensen houdt. We danken voor die mensen in Matran die de juiste vragen hebben gesteld, we danken voor de overtocht uit de Voskenslaan en bidden om nu stap voor stap, slag voor slag roeiend, verder te kunnen gaan. We worden gezegend in de naam van Hem die ons een veilige overtocht heeft beloofd, zelfs al is het meer vol stormen.
En dan is het feest want feesten is: delen in iemand anders verhaal.
Er is eerst een lekker aperitief, dit jaar geen Sangria om die volgend jaar des te meer te smaken, en dan is er weer smakelijke beenhesp met frisse groenten en frietjes naar hartelust.
Miet en al haar keukenhulpjes hebben gezorgd voor het dessertenbuffet en ijsjes voor de kinderen. De meer dan tienjarigen gaan bowlen en Jonas slaagt zelfs in het bijna onmogelijke door met een prachtworp twee kegels, die ver van elkaar overbleven, toch omver te gooien. Het springkasteel is door de aanhoudende regen meestal onbruikbaar en wordt uiteindelijk met de nodige beperkingen binnen opgesteld. Voor de eerste maal organiseren we een rommelmarkt waarvan de opbrengst de kas een beetje moet spekken. De regen belet ondertussen niemand om de eerste prikkel te gehoorzamen en tijdig én met paraplu, de verre toiletten op te zoeken. Er wordt samen gefeest, samen opgeruimd en samen afgewassen en afgedroogd: het wonder van Effata.
Tot slot geven de (niet meer zo jonge) Effata Girls and Boys een geslaagde volksdansdemonstratie. Alleluia!
Ook Tabor sluit het Effatajaar af: met het verhaal (Matteüs 4, 12-23) van Jezus die Simon en Andreas oproept om zijn leerlingen te worden want ‘het koninkrijk der hemelen is op handen!’. Jezus geeft onderricht in de synagogen van Galilea, Hij verkondigt de goede boodschap van het koninkrijk en Hij geneest elke ziekte en kwaal onder het volk. Dat wekt verlangen op om ook zo te leven. En soms ontmoeten we een mens die verkondigt en handelt naar wat hij zegt, die zich laat aanspreken en zelf aanspreekt, die mensen heelt van de last die ze dragen: dan wordt het koninkrijk zichtbaar onder ons.
Nu moet er gerust, gereisd, geëvalueerd en gepland worden. Tot in september!
Wouter, 29 juni 2006
afdrukbare versie
|
|
|