|
|
|
|
Kroniek
van de maand februari 2009
Damiaan leeft nog wat verder in Tabor op 4/2. Melaatsheid betekent geïsoleerd zijn van vrienden en familie, paria zijn, haat, wanhoop, woede en eenzaamheid kennen. Maar je kunt ook figuurlijk melaats zijn, leven aan de rand van de maatschappij, vrijkomen na een gevangenisstraf, gekwetst zijn.
Ook Jezus werd onrein met de onreine (Marcus 1, 40-45), hij raakt de melaatse aan en geneest hem. Maar wat is ‘genezing’? Het is meer dan niet meer ziek zijn: het is vrij zijn van opgekropte haat, het is geraakt worden om nog eens de grote stap te wagen, je mond open doen en vertrouwen op een ‘lieve’ omarming, op leven in gemeenschap.
Stuurgroep op 5/2: vooral een beetje nadenken over het bezoek van de beide visitatoren en het optreden op 7/3 van Lea Gilmore met liederen van Mahalia Jackson.
Marcus vertelt vooral over het feitelijke optreden van Jezus, hij handelt veel minder over de prediking en de uitspraken van Jezus. Men noemt dat het messiaanse geheim: niemand, de joodse leiders niet, zelfs zijn leerlingen niet, begrijpen dat de Messias een weg van vernedering en lijden moet opgaan. In de Effataviering van 7/2 lezen we Marcus 1, 29-38, het verhaal over de genezing van Petrus’ schoonmoeder en Jezus’ zoeken naar stilte. We denken nog even terug aan die andere boodschap: “Jullie zijn Gods meest geliefde kinderen, vorm gemeenschap, jullie zijn geroepen!” Dat is ook de inhoud van het laatste stukje van de evangelielezing: ‘want met dat doel, prediken, ben ik weggegaan!’.
Guido vertelt over het antwoord dat hij kreeg op zijn vraag: Wat is dat, gelovig zijn?”; het antwoord was: “Geloven is: contact zoeken met het mooiste deel dat in u leeft en ontdekken dat dát God is!” Dat is wel typisch voor het christendom: God is in ons, wij moeten hem niet ver gaan zoeken: hij is ín ons! Dat zoeken gebeurt in stilte, zoals we die een kans geven in Tabor en … God is alleen daar waar mensen hem zichtbaar maken, hij is niet meer ‘los’ verkrijgbaar.
Wij bidden voor een belangrijke vergadering over het Clemensproject, wij bidden uit dank voor 40 jaar Jongensstad: jonge mensen die op kamp gaan met mensen met een verstandelijke handicap.
Tabor op 11/2: pater Frans leidt ons naar de Vasten toe met Matteüs 9, 14-15, met de vraag van de leerlingen van Johannes over vasten en Jezus’ antwoord: “Ze kunnen toch niet bedroefd zijn, zolang de bruidegom bij hen is?” Het overdenken waard: ‘het zou vruchtbaar zijn de vastentijd te denken vanuit Pasen en niet vanuit Aswoensdag. Christenen vasten omdat ze een feest voorbereiden. Een kermis is een geseling waard!’ Bea heeft voorgezongen, wij hebben gebeden voor de vele mensen voor wie het leven meer geseling is dan kermis, voor zieken thuis en wie voor hen oppast, voor de bedevaarders naar Lourdes op deze verjaardag van de verschijningen aldaar en voor een zuster die 102 jaar oud wordt.
Koorrepetitie (13/2), oefenen, oefenen, oefenen, vooral per stem, want er zitten overal onvolmaaktheden. En ‘Rabbijntje’ steekt de kop op, zeker nu we een kern van jeugdkoor krijgen!
De paters Jacek Dembek en Serafino Fiore bezoeken in hun functie van generale visitatoren de gehele Sint-Clemensprovincie en op hun rondgang door Vlaanderen bezoeken zij op 14/2 ook de Effatagemeenschap. ’s Namiddags is er een gesprek met de stuurgroep: iedereen stelt zich voor in de taal die het best past: het Engels of gewoon het Nederlands, iemand vertaalt het dan wel. Guido stelt dan Effata voor: niet op onszelf terugplooien als antwoord op de secularisatie, maar open staan. Cruciale vraag voor de beide paters blijkt te zijn: ‘Waarom sloot je aan bij Effata?’
Mij valt op dat er zoveel antwoorden als aanwezigen zijn, maar mij komt zeker als belangrijk over: het positieve verhaal, de warmte, de oprechtheid, de vrijwilligheid, de vieringen, het zingen, het toeval (?).
Dan nog snel de Effatazaal klaarzetten, want straks is er broodmaaltijd met kramiek en suikerbrood. Ook pater Dembek helpt!
In de viering verwelkomt Ignace ons allemaal op deze Valentijnsdag, heel bijzonder omdat we weer samen zijn om te bemoedigen, te luisteren, te zingen en te bidden. Ook de paters Fiore en Dembek verwelkomt hij, maar dan speciaal in het Engels.
We lezen uit Marcus, 1, 40-45. In de voorgaande verzen heeft Marcus ons een beeld gegeven van Jezus, een sterke persoonlijkheid, die mensen geneest door de kracht van de liefde. In de tijd van Jezus en lang daarna was ziek zijn vreselijk, je wist niet wat er aan te doen, je kon maar hopen dat je er niet aan zou sterven. Melaatsheid was een van die ziekten.
Jezus is hier een zeer menselijke figuur, hij is overweldigd door mensen en emotie, hij zoekt de stilte, maar daar in een dorp in Galilea komt hem een melaatse tegemoet. Het ‘slaat hem in zijn buik’ en hij raakt de onreine aan, hij zet zichzelf buiten spel, hij telt daardoor niet meer mee voor de gemeenschap. Maar hij is zo verbaasd over de kracht die hij heeft uitgeoefend, zo verschoten van het genezen van de melaatse dat hij zich kwaad maakt: “Zwijg hierover, denk jij dat ik zo maar mensen kan genezen?” Dat is een hopeloze vraag en het antwoord lijkt op het scheppingsverhaal: ‘het worde licht! En het werd licht’ is nu: ‘genees! En hij genas’.
In dit verhaal staat een oproep om zieke mensen, mensen zonder papieren, lelijke mensen, toch een plaats te geven in onze samenleving, dát is de meest genezende keuze die onze samenleving nodig heeft. Daarbij kunnen we in het voetspoor van Jezus gaan, soms eens dingen niet begrijpend en óók eens kwaad wordend, maar toch uitgenodigd zijn om even genezend te zijn als Jezus.
Wij bidden voor een jarige opa, voor de gemeenschap van redemptoristen en leken, voor de palliatieve verzorgers, voor een vrouw die een tweede maal voor borstkanker wordt geopereerd en we danken voor de kracht die onze gemeenschap drijft. Met de zegenbede en een vrolijk Alleluja sluiten we deze viering af.
Dan is het feest, voor jarigen: Gerrit, Annette, Arne … , of gewoon omdat het Gevi is, met kramiek en suikerbrood en taartjes en cake. Maar ook voor onze ‘bezoekers’, de paters Fiore en Dembek van wie we afscheid mogen nemen. Het koor is er plots: “May the Lord be always on your side!”.

Weer valt mij op hoe vreemd deze gemeenschap wel moet lijken, waar priester én volk centraal staan, elk in dienst van de ander, een antwoord op vervreemding en eigenbaat.
Caroline, die ons verwelkomt in de viering op 21/2, heeft een aanknopingspunt gezocht tussen haar leven als leerkracht, nu vlak voor het krokusverlof, nog niet in de lente, maar wel al op weg naar de lente, en onze tocht naar meer licht.
Het evangelie uit Marcus 2, 1-12, weer een genezing, nu van een lamme. Wil Marcus zeggen dat Jezus door die wonderlijke genezingen volgelingen krijgt? Blijkbaar werkt het zo niet, zeker niet als er tegenslag dreigt en het moeilijk gaat. Zoals Guido vorige week ook zei: vroeger was ziek zijn niet meer weten wat er komt, wat er zal gebeuren. Genezen is dus een sterk symbool: er is iets nieuws, de wereld heeft een nieuwe toekomst met Jezus.
Terug naar het verhaal: het is zeer plastisch, goed voor te stellen, zeker voor jonge mensen: die weten nog niet wat het is te dragen of gedragen worden: zie je die man daar al lopen met zijn bed onder de arm? Ze zullen in het huisje waar Jezus zich bevond niet blij geweest zijn met dat gat boven hun hoofd of met de plaaster die naar beneden kwam (Naomi kan er van meespreken!) Wie zo plots voorbijgestoken werd op zijn weg naar Jezus toe, zal ook niet tevreden geweest zijn … Maar het is wel duidelijk: wij kunnen het niet alleen, wij moeten gedragen worden.
Dan begrijpt Jezus het vertrouwen van de dragers, hij ziet het vertrouwen van de lamme in de dragers. Dan zegt Jezus niet: “Ik vergeef u uw zonden,” maar wel: “Uw zonden zijn u vergeven!” De Schriftgeleerden reageren daarop, maar Marcus is niet al te streng voor hen, het zijn voor hem goedmenende mensen. Dan komt dat verschrikkelijke zinnetje: “Wat is gemakkelijker: vergeven of genezen?” Je zou denken: genezen van een lamme is toch het moeilijkst, maar is voor ons nu vergeven soms niet het zwaarst?
De man gaat naar huis, hij mag opnieuw beginnen, hij mag leven in Gods naam. Voor ons is er die uitnodiging om zelf mensen terug een kans te geven.
Wij bidden voor een jonge collega, er was die plotse dood van een zuster: klein met de kleinen zijn, we danken voor kleine Julie die 5 jaar oud wordt en we bidden voor pater Hajo Wenke in Würzburg die ernstig ziek is.
Aswoensdag: boven het altaar hangt een wijde krans met Tibetaanse gebedsvlaggen, het altaar zelf is versierd met foto’s van het Paulusdoek, waarop Paulus staat in een biddend en roepend gebaar. Op het altaar een vergrote smiley, waarop Naomi met engelengeduld de gele stof heeft aangebracht. Naast het altaar een stand waar we te gast zijn in Azië, verwijzend naar de actie Smile Simalia, om er met de Broeders van Liefde te helpen aan de bouw van een basisschool.
Wij hebben palmtakken verbrand, om ons te herinneren aan de dag dat we zelf zullen opgebrand zijn, we denken daar niet graag aan, maar toch is het voor ons christenen zeker dat dát ‘laatste’ niet echt het laatste zal zijn. We weten dat iemand daar staat te wachten op ons, dat we geroepen zijn tot iets hogers: daarom dat askruisje. Is vasten iets loslaten, iets laten? Neen eerder is het iets aan ons binden, iets vastmaken, weten dat God iemand is die ons graag wil zien en dat we daarvoor wel wat mogen ‘afzien’.
We lezen uit Matteüs, de Bergrede, hoofdstuk 6, 1-6, 16-18. Twee versies, één van 1985, een andere vertaling van 1995. Blijkbaar zijn de ‘aalmoezen’ verdwenen en is de barmhartigheid er voor in de plaats gekomen, dat is trouwens ook dichter bij de oorspronkelijke tekst.
In andere godsdiensten vind je ook een vastenperiode. Kijk maar naar de Islam, waar de ramadan, niet bedoeld is om af te zien, maar wel om bewust in de dag dicht bij God te leven, te weten: ik mág dicht bij God leven. De ramadan is feitelijk een feestmaand, niet een ‘ik mag niet’ maand.
De boodschap van Jezus is duidelijk: wees barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is, ga barmhartig met elkaar om. De kern van de vasten is dan: wees bewust dat God met ons bezig is.
We worden getekend met as, een degelijk kruis op het voorhoofd, of uitgestrooid op de kruin, je kiest maar. Het is het begin van 40 dagen oefentijd waarin we trachten iets van Gods barmhartige liefde waar te maken. In de komende vastenzondagen blijven we stilstaan bij Paulus, vandaar dat mooie beeld van het Paulusdoek uit de Sint-Pauluskerk.
Als aandenken krijgen we een kleine smiley met de rode stip op het voorhoofd, zoals in India, want Jezus heeft gezegd: Zalf dan uw hoofd en was uw handen en lach, want het is vasten. Dus worden ook nog onze handen gezalfd, met geurige olie.
Koorrepetitie op 27/2: oefenen, leren kijken naar de dirigent, zingen ad modum gregorianum daar waar dit hoort. Maar vooral ‘Wat, rabbijntje zal gebeuren’ inoefenen, stem per stem. Maar hoe zit dat met dat ‘vlees van monsters’? In de bijbel kom je verschillende monsters tegen, zie onder meer Job, 41: de begemoth (een nijlpaard?) en de leviathan (een grote, snelle, kronkelende slang of een ander zeemonster?). Er zijn er zelfs die de beesten (een dinosaurus) als steun voor het creationisme gebruiken!
Ons ‘Wat, rabbijntje zal gebeuren’ is een oud Joods kinderlied én een legende die beide vertellen over de Messiaanse maaltijd, waarin de oeros en de verslagen Leviathan als vismaaltijd dienen voor de Tsadikiem, de rechtvaardigen. Dus: ‘eten wij het vlees van monsters’: het is feest!
Eerste zondag van de Vasten, 28/2, en Leen verwelkomt ons, nog vol van haar kamp en haar bezoek met de andere catechumenen aan het bejaardentehuis in Oostakker.
We zullen dus deze tijd meegaan met Paulus, de man die misschien in het jaar 9 na Christus geboren werd (dat zou nu 2000 jaar geleden zijn) en in 67 na Christus in Rome onthoofd werd en daar in de kerk van Sint-Paulus buiten de muren begraven ligt. Paulus maakte dus de verwoesting van Jeruzalem niet mee. Hij was een rabbijn met een grondige godsdienstige vorming bij Gamaliël in het farizeïsme, een geschoolde theoloog, die dan ook bewust aan theologie doet. De ‘moeilijke Paulus’ wordt hij genoemd en de auteur van de tweede brief die aan Petrus toegeschreven wordt schrijft dat in de brieven van Paulus een en ander staat dat moeilijk te begrijpen valt (2 Pet 3, 15-16). Paulus schrijft zijn brieven vóór de evangelies geschreven worden, het zijn géén theologische traktaten, de brieven zijn enkel bedoeld om iemand iets te zeggen, wij weten zelfs meestal niet wat de vraag was, je moet dat afleiden uit zijn antwoord. Hoe hij heeft gepredikt, wat hij gezegd heeft, hoe hij de mensen erbij betrokken heeft, wij weten het niet. We weten dat hij bij joodse gemeenschappen kwam, dat zijn leer niet goed ontvangen werd en dat hij daarom nieuwe gemeenschappen startte. Gemeenschappen met wie hij per brief in contact bleef en op hun vragen: “Wat moeten we nu doen?” zo uitleg gaf.
Wel weten we dat hij gedreven werd door de mening dat Jezus zeer vlug zou terugkomen, daarom had hij zoveel haast, daarom reisde hij zoveel, daarom schrijft hij aan de christenen van Tessalonica (1 Tess 4, 13-18). Wat wij horen is dat Paulus de terugkeer van Jezus nog zal meemaken en dat de mensen die nu al gestorven zijn, samen met hen die nog in leven zijn, in een oogwenk, de Heer tegemoet zullen worden weggevoerd. Die God heeft dus een contract met de mensen, hij volgt ons en zal ons meenemen.
Paulus betekent heel veel voor onze samenleving, door hem is onze samenleving getekend door joods-christelijk erfgoed. Het is niet belangrijk hoe de wereld ontstond, wel dat er een begin was en dat God daarmee te maken heeft. Geen cirkels, steeds herbeginnend, slechts te ontkomen naar het niets: het Nirwana van het boeddhisme, geen chaos door een overvloed aan goden zoals bij de Grieken en de Romeinen. Voor Paulus is er een begin, dan een evolutie naar een eindpunt: onze cultuur is daardoor getekend. Zonder Paulus was het beginnende christendom misschien een joodse sekte gebleven, die snel zou verdwenen zijn.
Wij danken onze jongeren voor hun enthousiast delen met de bejaarden in Oostakker, wij steunen een collega die uit solidariteit projecten bezocht in Rwanda, wij bidden voor een hoogzwangere vrouw die alleen is, dat ze liefde mag ontvangen, wij bidden voor Jan wiens mama is gestorven en voor elke mens die moet leven met een lege plek naast zich.
De krokussen bloeien nu al echt, de dagen worden al langer en op 7/3 is er het Mahalia Jacksonconcert!
Wouter, zondag 1 maart 2009.
afdrukbare versie (44 kB)
|
|
|