effata-logo
Kroniek van de maand februari

Februari begint met Tabor. Maar er is op 1 februari ook een bijeenkomst van de werkgroep die
de vastenvieringen voorbereidt. Die vieringen zullen als thema De werken van Barmhartigheid’ hebben: een geweldige bron van inspiratie waaruit nu al heerlijke klanken opstijgen.

Er is stuurgroep op 3 februari en we stellen vast dat het goed gaat.
Maar vooral hebben we een uitvoerig gesprek met het bestuur van de Sint-Clemensprovincie van
de redemptoristen, de paters Hermann ten Winkel, Henk Erinkveld en Guido Moons.
Het gesprek gaat hoofdzakelijk over de vraag naar de band tussen Effata en de spiritualiteit van de redemptoristen. Wij stellen weer maar eens vast dat we in feite veel meer redemptorisch denken dan we zelf vermoedden.

Zaterdag 4 februari is een zeer drukke dag. Vooreerst is er een werkgroep die zich bezighoudt met de organisatie van de ‘internationale studiedag over lekenwerking’ waar ook een afvaardiging van Scala, een Nederlandse groep die sterk aanleunt bij de redemptoristen, aan deelneemt.
Het is voor hen ook een gelegenheid om aanwezig te zijn op de viering van deze dag.
Een viering voor Lichtmis, met kinderzegen en met de doop van Eli. Bernadette verwelkomt ook onze Nederlandse vrienden van Scala en de familie van Eli. De dagen beginnen te lengen: wij kijken uit naar het licht en hier is dat Jezus die centraal staat. De vele, heel vele, kinderen brengen lichtjes aan en enkele groteren zeggen hoe ze met eenvoudige dingen licht kunnen zijn, zout op
deze aarde: door elkaar te helpen, door onverwacht een compliment te geven, door de eigen kamer op te ruimen. Ook ouders en grootouders spreken van licht, over zorg en liefde en over vertrouwen. Ook de kaars van Eli moet nog aangestoken worden en dan kan Eli, de verhevene, die
nu nog lieflijk ligt te slapen bij zijn moeder, als ‘jongste binnenkomen’ om gedoopt te worden. Niet omwille van zonde, want hij is geboren uit Gods hand, maar omdat wij hem heel wat willen meegeven. Wij willen hem zeggen dat hij hier welkom is, dat hij zeker mag zijn van onze hulp en bescherming, dat hij zo in contact komt met Jezus die de bron is van alle leven. Zijn ouders beloven hem en ons dat zij met hem zullen meegaan op de lange weg, zijn peter en meter beloven dat ze hem zullen omringen met hun liefde. En eerst bidt de gemeenschap het ontroerende doopgebed: “ … en maak van hem een gelukkig mens …”. Guido doopt en zalft Eli en dan kan de jongste terug gekoesterd worden door zijn vader en zijn moeder. Maar het is ook de dag voor de kinderzegen, letterlijk ook want er zijn echt veel kinderen, die allemaal eerst leren hoe zij ons, de volwassenen, moeten zegenen, bene dicere’, het goede wensen, met de oude zegening “God zegene en beware je”.
En dan zegenen wij hen ook en ik vind het spijtig dat ook mijn kleinkinderen niet hier zijn, maar ik zegen hen in gedachten: “God zegene hen en beware hen”. Als aandenken krijgen alle kinderen, groot en klein, een kruisje met de zegenwoorden, om ze dikwijls te herhalen en ze zeker niet te vergeten. Guido zegent Eli en hij zegent met Eli, die van al dat gezwaai een beetje verschiet en we zingen Alleluia. Er is natuurlijk een mooie receptie, met heel veel volk, met Lou die zich aan de koffiepercolator verbrandt en met Jelle en Ageet, twee van onze Scalavrienden die achteraf zeggen dat ze een beetje jaloers zijn op een dergelijk innige viering.

Met Tabor gaan we de woestijn in: een beeld dat veelvuldig in de bijbel voorkomt. Soms bevinden we ons letterlijk in de woestijn: we weten niet meer hoe het verder moet. Maar we gaan God tegemoet “zolang ik leven mag”, om de wonderen van manna, brood en vissen, kwartels, water uit de rots, te herkennen. Onze last wordt lichter, omdat geloof en vertrouwen onze schouders sterker maken.

Johan leidt de repetitie. Eerst oefenen we de gewone liederen voor morgen in en we stellen vast dat er hier en daar ingeroeste fouten zijn, dan herhalen we het ‘Lam Gods’ uit de Majellamis.
Het is wel een speciale repetitie met de oudste zanger (je zoekt zelf maar wie dat is!) en met de jongste, want Marthe die met mama Krista is meegekomen is pas één maand oud maar ze kent blijkbaar ook al wat van meezingen …

De Effatagemeenschapsviering is er een zonder Guido, want die is op visitatie naar het klooster in de Bekaavallei in Libanon, juist nu het daar overal onrustig is door de woede van de moslims over de Deense cartoons. Maar plicht gaat voor! Het evangelie van Marcus gaat over Jezus die de melaatse aanraakt en geneest. Melaatsen kennen wij niet meer, of van heel ver uit het verhaal van pater Damiaan, maar uitgestotenen, marginalen, mensen ‘buiten de maatschappij’, dat kennen we nog wel. Jezus raakt de melaatse aan met zijn handen, hij riskeert daarmee zijn eigen leven en hij overtreedt de Wet, maar hij zegt daardoor aan de melaatse dat hij er weer bij hoort. Wat doen wij met onze handen? Pieter komt vertellen wat hij vandaag allemaal met zijn handen heeft gedaan, hij heeft zelfs kruiwagens met aarde weggevoerd! Maar we vóuwen onze handen ook, in vertrouwen in God, zoals Jezus, die aanraakt, die geneest, die zijn handen vouwt om in contact te staan met zijn Vader. De melaatsen van vandaag vragen dat zij een plaats krijgen, ook in kerken: open kerk? Om dat te verwezenlijken zijn wij een beetje Gods handen. Voor Frank en Nathalie en hun kinderen is de avond heel anders verlopen dan ze hadden gedacht, maar de eerste kennismaking met Effata is hen reuze meegevallen: ze komen terug!

Vertrouwen is ook het kernwoord van het Tabormoment op 15 februari. Het gaat over het verhaal van Jezus die over het water loopt en Petrus die twijfelt. Het water staat hier als symbool voor geloven als basis van de christelijke spiritualiteit: ontdekken dat God ons draagt, zoals water, zoals geloof, dat ons kan dragen als we vertrouwen, als we willen leren drijven, leren zwemmen.

Guido, gezond en wel terug van Libanon, een ervaring rijker, stelt ons in zijn homilie op 18 februari de vraag, welk van de verhalen uit de bijbel ons het meest aanspreekt. Voor hem is het verhaal uit Marcus 2, 1-12 heel belangrijk. Wij kennen allemaal het verhaal, denk ik, maar inderdaad: ik heb het nooit goed begrepen. Ik zag het geloof van die lamme, de genezing en de discussie: “Is het godslasterlijk iemands zonden te vergeven?” Maar wat belangrijk is, is dat Jezus zich de Mensenzoon noemt en vooral dat Hij het geloof zag van de vier vrienden van de lamme. Over die lamme weten we feitelijk niets, maar van zijn vier vrienden weten we dat ze er zelfs niet voor terugschrikten om het dak open te breken uit vriendschap met de lamme, om hem toch maar bij die Jezus van Nazareth te brengen. Gelukkig dus de mens die vrienden heeft, hun geloof en hun vertrouwen redt hem en laat hem niet alleen staan.

Wij hebben heel wat voor te bereiden. Voor het feest 100/10/1 slepen we panelen aan, Lut boort gaatjes en brengt pluggen en oogvijzen aan en we sorteren verder documentatie voor de tentoonstelling. Voor de vasten 2006 wordt ook de inspiratie aangesproken voor haalbare en doenbare ideeën over de ‘Werken van Barmhartigheid’ en oude meesters worden geraadpleegd.

Belofte maakt schuld: op 24 februari gaan we met meer dan 25 koorleden en sympathisanten snoezelzingen voor de ‘gasten’ van Borgwal in Vurste. Het is voor mij, maar ook voor Jeroen, een onbekende wereld, waar je veel vragen over kunt stellen en wat is snoezelzingen nu ook weer? Maar Johan en de begeleiders en de ‘gasten’ tonen en zeggen ons hoe het mag en telkens als mijn vriend in de rolstoel zijn hoofd wat meer tegen mijn hand aandrukt en hij geluidloos lacht, dan weet ik wat ik hier kom doen. Ik denk dat Jeroen dezelfde ervaring heeft, want als ik er hem naar vraag, lichten ook zijn ogen op, fier dat hij zijn schroom overwonnen heeft. We zingen heel ernstige liederen en ook enkele gospels, maar natuurlijk zoemen ook de bijen, zingen we van blonde haren, over de stille Kempen en van de vlieger met zijne steirt, over van alles van de capucienen, over de zakkende zon en de lakenplooiende vlooien. Fons breit een stukje aan de schepping bij want volgens hem zijn “de kinderen door God gemaakt”. De begeleiders verrassen ons met een drankje en een hapje en blijkbaar is ons ietwat ongeordend zingen toch echt meegevallen.

Met al die werken aan de bestrating in de omgeving van de kapel, maar ook in de kapelgang, waar een verlaagd plafond is gelegd, is de kapel zeer vuil. Een groep poetsers maakt alles netjes op 25 februari. Gelukkig hebben Chris en Lea al de Taborkapel zelf opgeruimd, want anders zou er tijd tekort geweest zijn.

In de laatste viering van de maand herinnert Ignace aan het snoezelzingen en hij maakt alvast Koen gelukkig door hem een gelukkige verjaardag te wensen. Guido ziet drie groepen medebroeders: zij die zich goed georganiseerd hebben en rustig verder doen, zij die getekend zijn door het leven en wat hen is aangedaan en daarom niet meer gelukkig kunnen zijn en dan zij die bekommerd zijn over de toekomst en die vragen stellen. Jezus behoort tot die laatste groep. Het evangelie gaat over een discussie tussen die Jezus en de farizeeërs, over de vraag waarom de leerlingen van Jezus niet vasten zoals de Wet voorschrijft. Maar Jezus wijst er hen op dat als je bruiloft viert, die regel niet telt: “Kunnen de vrienden van de bruidegom vasten terwijl de bruidegom bij hen is?”. Je moet dus niet weten hoe het in de toekomst zal zijn, je moet alleen zoeken of een ritueel in de toekomst nuttig zal zijn en of het ritueel een plaats krijgt in ons leven: jonge wijn moet in nieuwe zakken. Wij krijgen weer 40 dagen ‘speeltijd’, blokverlof om ons op iets nieuws voor te bereiden, te beginnen op Aswoensdag. Ook Frank en Nathalie behoren tot die laatste groep, want ze stellen nu al vast dat hun leven veranderd is door naar Effata te komen. Maar dat was toch voor ons allemaal zo: wij werden als vermoeide zwervers lief onthaald en ze deelden met ons de overvloed aan brood, genegenheid en vrede.

In mijn tuin bloeien al gele krokussen en de witte camellia japonica; Veerle heeft rozen geplant en daarbij aan mij gedacht: onder ieder sneeuwveld schuilt een nieuwe lente!


Wouter, maandag 27 februari 2006