effata-logo
Kroniek van de maand december 2008

De vorige viering sloten we af met bedenkingen over een waakzaam hart: in Tabor op 3/12 gaat Chris C. in op de vreugde van het kwetsbare hart. Evangelietekst: Lucas 1, 26-30, het begin van de boodschap van Gabriël aan Maria. Maria schrok van die boodschap, van dat woord. Wij schrikken niet zo gauw, ons hart is goed verpakt voor al te grote kwetsbaarheid. Maar alleen wie zich kwetsbaar opstelt kan de blijde boodschap krijgen. Het risico is wel dat we kunnen gekwetst worden, naïef lijken, maar anderzijds kunnen we vreugdevol in en tegenover het leven staan zoals Maria. We bidden voor mensen die teleurgesteld worden, voor een vriendin gewikkeld in een echtescheidingsprocedure, voor mensen met twijfel in het hart en we danken voor ontmoetingen die vrede brachten.

 

Stuurgroepvergadering op 4/12: voorbereiding van de advent, van het sinterklaasfeest, van de kerstnacht, allerhande praktische regelingen en afspraken, proeven van Lebkuchen …

 

Het worden inderdaad de donkere, sombere dagen vóór Kerstmis en zoals Bernadette in haar verwelkoming voor de viering van 6/12 zegt: Advent brengt licht en zéker als zoveel kinderen helpen om ál die kaarsen aan te steken.

Het is de tweede adventszondag, de tweede kaars op de krans wordt aangestoken, Jesaja spreekt woorden van troost, van toekomst, van hoop. De lezing komt uit het hoofdstuk 40, dat thans algemeen aan een onbekende profeet, Deuterojesaja genoemd, wordt toegeschreven. Maar ook die durft als Jesaja zelf vanaf de ruïnes van de ballingschap verwijzen naar een hoopvolle toekomst, ons hart onder de riem steken.

Wij vergeten al te gemakkelijk dat het christendom in de woestijn begon en het evangelie van vandaag herinnert ons daaraan (Marcus 1, 1-8). Geen Sahara, maar de woestijn van Judea, vol rotsen, dorre stenen, dorre takken, kort bloeiend in de lente, een bloei die ons doet denken aan het lied van de steppe die zal bloeien … De boodschap is dat God zich altijd bekommert om zijn volk, zorg draagt voor ons en ons leidt, een weg terug naar het Beloofde Land toont, een rechte weg, honderd kilometers lang, door de woestijn. Vandaag is het Johannes de Doper die de boodschapper is, de man met de kameelharen pij, die sprinkhanen at en honing uit de woestijn, maar die gelukkig aan ons zegt: “Ik ben het niet, na mij komt iemand die sterker is dan ik!” Hij zegt dat wij Jezus mogen volgen, vrij zijn en geen honger hebben. Maar: op zoek zijn, voor ieder mens een beetje zorg dragen, dat moeten wij leren, geholpen door Welzijnszorg om het goede te doen en voor mensen om ons heen een hart onder de riem te zijn.

Wij bidden voor de jongeren die nu examens doen, voor een schoonbroer die weer in de kliniek is opgenomen, voor een alleenstaande moeder.

Voor onze adventskrans thuis krijgen we een tweede drijfkaarsje met een hartje. Steek ze al voorzichtig aan, als je aan de voeten van God gaat zitten, zegt Guido.

Dan wordt aan de deur geklopt, hard geklopt. De goede Sint verschijnt, zijn zetel wordt gereed gezet en Guido kust zijn hand (zonder handschoen of ring!) en begroet Monseigneur, de hoge gast. Alle brave kinderen, klein en groot, Arend op kop, mogen de Sint begroeten op zijn naamfeest en krijgen lekkers, kleine Madelief mag zelfs bij de Sint op schoot. En wij maar ondertussen zingen van stoomboot en Sinterklaasje!

 

Het lied ‘Die naar menselijke gewoonte’ (205) zingen we regelmatig als tafelgebed in de vieringen, maar het krijgt een nieuwe dimensie als Bernadette het als onderwerp gebruikt en ontrafeld in de Tabor van 10/12. De ‘Niet te noemen’ krijgt hierdoor een naam door ruimte te maken in ons leven voor God, voor de stem van ons geweten. Ruimte voor hem die ons groet vanuit zijn verte, die ons aankijkt van dichtbij. Een band leggend met Welzijnszorg vandaag, want Jezus heeft gekozen voor de armsten van de armen: in deze Advent, een tijd om te genezen en Jezus beleven als de mens die naast je is.

 

Koorrepetitie op 12/12 met Guido als dirigent die pas van de tandarts voor een pijnlijke extractie komt: er zijn nog dapperen op deze wereld! Vierstemmig “Al wie dolen in het donker” en “In deze donk’re nacht” en kerstliederen allerhande: het gaat goed vooruit.

 

De plechtige communicanten zijn vóór de gemeenschapsviering van 13/12 bijeengekomen met hun catechisten. Ze hebben gewerkt aan hun kennis van Welzijnszorg en over armoede, ze hebben spontaan woorden gevormd zoals 'helpen’ en ‘vriendschapsbandensmeden’. In zijn verwelkoming vertelt Ignace er ons over.

Dan wordt de derde adventskaars ontstoken: dat wie ziek is mag genezen, dat wij daar zorg voor dragen.

In het evangelie (Johannes 1, 19-28) legt Johannes de Doper er nu nog meer de nadruk op dat hij maar ten dienste staat van iemand die na hem komt én die groter is dan hij: “Ik ben niet waardig de riem van zijn sandaal los te maken!” Spontaan denken we dan aan het kindje op de arm van de Maria van de icoon, dat van het verschieten zijn sandaaltje verliest…maar vooral aan dat woord: “Je moet Hem niet zoeken hoog in de hemel of goed weggestoken, neen, hij staat midden onder ons, daar waar mensen zorgen voor elkaar”.

Vandaag is er omhaling, zeer uitzonderlijk, maar dan wel uit solidariteit met hen die trachten iets te doen aan de armoede. Jacky vertelt ons uit de praktijk, over de zaken waar hij mee bezig is, drukt ons met onze neus op de echte armoede, op de echte honger waar mensen in stilte mee te kampen hebben. Help Welzijnszorg zegt hij, zo kan je sociale ongelijkheid wegwerken. Bestaat die in onze welvaartstaat, waar alles zo goed geregeld is? Blijkbaar wel: ziekte maakt arm, armoede maakt ziek en dus moeten wij tekenen van hoop zijn, troost voor angstige mensen in deze adventstijd, een uitweg uit die vicieuze cirkel.

Dan bidden wij: voor mensen die uit de sociale zekerheid vallen, dat ze opgevangen worden, dat ook wij met mensen begaan zouden zijn en voor vaders en moeders die eenzaam sterven en hun kinderen achterlaten in pijn en verdriet: “Blijf bij ons, wees onze kracht!”

Ook Bart D. heeft wat te vertellen over een project in Malawi dat ze mee mochten opstarten, een school die ze hielpen bouwen en die nu aan uitbreiding toe is: wie kan helpt de werkgroep Pasparou door de aankoop van een kalender.

Voor onze adventskrans thuis is er het derde rode drijfkaarsje met een ingebrand hart.

 

De laatste Tabor van dit jaar op 17/12 ligt voor Nicole op een boogscheut van Bethlehem, van Kerstmis. Wij beluisteren een lied van Huub Oosterhuis: ‘Gij die ons nooit geknecht hebt’, met de tekst in de hand, om zo dieper op de tekst te kunnen ingaan en er elk voor zich opvallende en sprekende zinnen uit te halen: “Dat ooit een mens een naaste zij, smeken wij U.” Nooit geknecht, eindelijk als mens die het verdiend heeft op een troon geplaatst, dat zingt ook Maria in haar Magnificat (Evangelie volgens Lucas 1, 46-56) en dat geldt ook voor ons als we geloven vanuit dit lied.

Wij bidden voor mensen die de komende Kerstmis voor het eerst alleen zullen doorbrengen, voor Kathleen wier man gestorven is en die zelf ook in het ziekenhuis is opgenomen, voor Jo de vader van Jeroen, geopereerd aan zijn rug, voor de overleden oom van Chris, voor jonge mensen die hun schoolresultaten zullen te horen krijgen en die verder zullen moeten werken binnen hun mogelijkheden.

 

Vandaag 20/12, 4 de adventszondag en verzoeningsviering Niets beter om deze dag te beginnen met het kuisen van de kapel en aanhorigheden, die er nadien weer ‘welriekend’ en blinkend bijliggen: misschien iets meer helpers?

Maar de viering en de komende tijd zijn dan ook speciaal: Kerstmis is op komst. Weer zingen we de liederen - moeilijke liederen zeggen sommigen - van duisternis en donk’re nacht, van wolken die moeten gescheurd worden, van dolen in het donker en van dor en droog geworden aarde die om dauw en regen vraagt. Maar het is ook een hoopvolle tijd, van waakzaam zijn, van loskomen van dingen die toch geen toekomst hebben, van kijken hoe Maria, die misschien niet veel nieuws te vertellen had, toch maar háár leven en dat van zoveel anderen veranderde door “Ja” te zeggen tegen de engel Gabriël (Lucas 1, 26-38), de vierde kaars op de hartvormige adventskrans wordt aangestoken.

Ook de homilie van pater Herman, die speciaal van Wittem is gekomen om met ons verzoening te vieren, gaat over veranderen, verzoenen en uw hart láten genezen. Hij spreekt over een God die ons door en door kent, die ons als een dokter geneest en een nieuw begin geeft door vergeving te schenken. Maar dan moeten we wel echt zeggen wat ons mankeert: onze schuld gewoon op tafel leggen en gemeend en open om vergeving vragen. Hier past de verwijzing naar het “Ja” van Maria: mij, ons, geschiedde naar het woord van de engel. Maria zal ook wel goed nagedacht hebben voor ze haar jawoord gaf, in vertrouwen, en dus zijn de aanwijzingen van pater Herman, om ons nadenken te richten, welkom. Een paar voorbeelden: “Ben ik blij met wat mij lukt?”, “Hoe belangrijk is voor mij het bidden in gemeenschap?”, “Wanneer heb ik iemand geprezen, gun ik anderen hun succes?” of “Doe ik iets om een klimaat van vertrouwen te scheppen?” Het zijn geen loze of al te strenge vragen, ze richten ons op elkaar en op onze gemeenschap, op het geschenk van vergeving dat wij van God krijgen, op een bewust voornemen onze dank in iets praktisch om te zetten.

Dan wordt ons de vrede van Kerstmis gewenst en geschonken, elk jaar opnieuw ontroert mij die handoplegging, dat innige en waakzame gebaar.

Wij staan weer met velen rond het altaar, breken brood en delen wijn en wensen elkaar vrede. We danken voor 25 jaar huwelijkstrouw, we bidden voor mensen die voor een belangrijke keuze staan, voor een nog altijd niet verwerkt afscheid, voor mensen die Kerstmis niet meer kunnen vieren in familiekring, voor mensen met beleidsverantwoordelijkheid.

Onze adventskrans thuis is nu met het vierde drijfkaarsje volledig, een kans om ook thuis eens over deze tijd na te denken en te weten dat Hij bij ons is.

 

In de koorrepetitie van 23/12 blijkt dat sommige liederen helemaal niet zo goed ingeoefend zijn en dat een regelmatige aanwezigheid op de repetities, zelfs met onze gekende en de ons toegekende vrijheid, toch een noodzakelijkheid is. Guido heeft last van een pijnlijke zona, maar hij doet ons oefenen en oefenen.

 

Kerstavond begint voor hen die dit willen, met samen eten: niemand mag eenzaam zijn. Zoals altijd is de maaltijd zeer verzorgd, gezellig, vrienden ondereen, ook de hond (een echte!) in de hoek voelt zich hier thuis. Paters Gaston Ribbens en Fadi Rahi, confraters van Guido, zijn er ook bij, aanvankelijk een beetje onwennig, behulpzaam, nieuwsgierig.

Wij hebben echt naar Kerstmis toe geleefd, door de Advent, door de vier zondagen van verwachting, met ons hart open. Als dan om 0.00 uur de nachtmis begint, in duisternis, sluiten de inleidende gebeden op die verwachting aan: Scheur de wolken, kom bevrijden, zoek je weg in het licht van God, maar … hij stáát al in uw midden, zeg ‘ja’ zoals Maria in die stad in Galilea.

Al wie dolend in het donker, op de nieuwe morgen wacht”, zingt Ilse. Haar stem is vermoeid van het vele zingen, maar haar boodschap klinkt klaar: “Vrijheid wordt aan u verkondigd!” De acht zangers zingen verder, vierstemmig, over hem die onze lasten zal dragen, Zijn Zoon die Zijn welbehagen draagt.

De gong luidt het licht in en nu verschijnt overal het licht. Wij zingen van het heil, ons geschonken, niet gemaakt, kind en Heer, ons heden verschenen. Vanavond zijn wij wat dichter bij de waarheid gekomen, het is een feest van aanwezigheid, vertrouwen in de toekomst, op zoek naar het licht dat ons helpt, nu wétend waar we moeten zoeken. Naar Lucas schreef Huub Oosterhuis het ‘Klein Kerstoratorium’ dat Ilse nu zingend reciteert, tot het plotse verschijnen van de hemelse machten die ons allen, want we zijn toch van goede wil, vrede toewensen. Iedereen is van goede wil, maar Greet aan de piano en wij, het koor, zijn blijkbaar niet genoeg op elkaar afgestemd, want wat een blijde “Hoor, d’englen zingen d’eer van de nieuwgeboren Heer!” moet worden, wordt diffuus, lukt niet zo best maar dan herpakt iedereen zich en blij, maar verward, zingen we ‘met algemene stem’ van het kind van Bethlehem.

Je kunt je een feest als helemaal mislukt herinneren: de kerstboom trok van boven op niets, je haar was tekort geknipt, je zoon kon er niet bij zijn met kerstmis, de rosbief was aangebrand, je jongste dochter was opstandig. Niet meer weten wat er góed ging als er ook maar iets misloopt.

Of je kunt kijken waar het echt over gaat: Kerstmis laten gebeuren, weten dat het niet gaat om beter, groter, rijker. Beseffen dat die lijn van groter, sterker doorbroken is, door iemand die we God noemen. God die ons heeft gezegd: zoals mensen zijn, zo wil ook ik zijn, een kind dat niet meetelt. Omdat we ons daarvan bewust zijn, vieren we Kerstmis, ook als we denken niet mee te tellen, ook als we iemand die ons heel dierbaar was verloren hebben.

Dan hebben we een goede reden om hier in het holste van de nacht bijeen te komen en te zeggen: “Zalige mensen, we zijn hier met zo’n groooot hart”

Wij zingen natuurlijk kerstliederen: ‘Stille Nacht’, ‘Adeste fideles’ of hoor je liever ‘Kom laten wij aanbidden , die Koning’? Wij vragen ons af hoe die herders van dit wondere gebeuren wisten, dat alleen is al een wonder … En wij bidden voor alle mensen zonder een dak boven het hoofd, voor kinderen die geen geborgenheid kennen, voor hen die als herders anderen behoeden en voor onszelf dat we knielen, bidden en goed doen als koningen: “In deze donk’re nacht, ontsteek in ons een lichtend vuur.”

Wij hebben vier weken met Welzijnszorg nagedacht over ons hart, dus is het niet verwonderlijk dat het aandenken aan deze kerstviering een peperkoeken hart is, maar ook over de ster hebben wij gezongen en dus is er ook een ster bij, met de vriendelijke aansporing: “Maak ruimte in je hart!”

Wij vragen om Zijn zegen en zingen: “Joy to the world, the lord is come!”

Dat er een receptie was met diepgaande gesprekken en een losse babbel hoef ik niet te zeggen en ik hoorde één vrome extra wens: ‘iets meer repeteren?’

 

Wie of wat de 33 zangers van het Effatakoor, Guido en Filip incluis, inspireert om op kerstdag in de gevangenis te gaan zingen voor een vijftigtal gevangenen? Het kind van Kerstmis zeker? Ik was er niet bij maar Frans heeft zijn verhaal geschreven: hier volgt het.

Vijf per vijf mogen ze binnen, de controle is - wellicht begrijpelijk - streng. De stoelen op het podium zijn allemaal vernieuwd, dat werd wel tijd!

Stanny vertelt over machthebbers die dikwijls alleen aan hun eigen belangen denken en geen rekening houden met hun onderdanen. Maar ook wij doen dat soms in ons eigen kleine rijkje. Jezus laat ons zien dat er hoop is, ook nu, telkens als mensen zich laten inspireren door God, telkens als wij God laten geboren worden in ons leven.

Op kerstdag mag het koor blijven eten, sorry, dineren in de gevangenis: de kokkin maakte er een waar festijn van, dank je wel!

 

In haar verwelkoming voor de viering van 27/12 spreekt Agnes over haar ervaring op kerstavond: bij hen was een dakloze uitgenodigd en die stond verbaasd over zoveel warmte, nooit meegemaakt, toen de kinderen elkaar het kerstverhaal vertelden. Agnes is blij, met ons hier vanavond te zijn, in haar Effatafamilie, zoals ze het enigszins aarzelend uitdrukt.

Volgens het evangelie (Lucas 2, 22-40) noemen we het de opdracht in de tempel volgens de wet van Mozes: Jozef en Maria gaan naar de tempel in Jeruzalem om er gereinigd te worden.

Bij ons, niet eens zo lang geleden, kenden we de kerkgang, de eerste keer dat een vrouw na de bevalling weer in de kerk mocht komen. Het klinkt allemaal een beetje vrouwonvriendelijk, maar het is wel ontstaan uit het feit dat ooit een eerstgeborene afgestaan werd aan de tempel voor de tempeldienst. Later, toen de afstammelingen uit de stam van Levi, de levieten, die dienst op zich namen, werd het kind ‘losgekocht’ met een koppel tortels of twee jonge duiven.

Nu beseffen we dat een vrouw, die een kind draagt, veel dichter bij het mysterie staat, helemaal niet onrein is, maar dicht bij God leeft.

Jozef, Maria, Jezus: de heilige familie: het feest van deze zondag. Maar ís die familie zo heilig? Op het eerste gezicht hapert er een en ander, maar kan dat anders met een kind dat Koning der Koningen wordt genoemd? Denk even aan de verwoording van Kahlil Gibran in ‘De Profeet’, waar een vrouw aan Almoestafa, de uitverkorene en geliefde, de vraag stelt: “Spreek tot ons over kinderen.” Met het alom bekende antwoord: “Uw kinderen zijn uw kinderen niet.”

Elk kind is een nieuw leven dat tot bloei komt, dat we zeer nabij staan en dat we toch moeten afstaan. Ook Jozef en Maria hebben afstand genomen en toch was er die zorg om de mogelijkheden van Jezus, hun kind, te doen ontplooien. Zij noch wij, als ouders, kunnen hun weg bepalen: er is afstand en toch nabijheid.

Heeft God daarom de grootouders ‘uitgevonden’? Want bij grootouders kunnen kinderen kind zijn, er is niet die zorg voor morgen en overmorgen: zou dus deze zondag niet beter het feest van de grootouders zijn?

Van die gedachte naar een idee om het komende jaar wat na te denken over ‘familie zijn’ is maar een kleine stap: wij leven in de Effatagemeenschap niet als een individu, maar wel in een familie. Daar horen we nog wel van …

Wij danken omdat we altijd bij de Heer kunnen terechtkomen voor de opvoeding van de kinderen met een keuze voor nabijheid en afstand, wij bidden voor vrede, ook in Gaza en Israël, wij bidden voor Sara, die ongeneeslijk ziek is, dat ze op serene manier en zonder pijn kan afscheid nemen.

 

 

Het jaar 2008 is om. Wordt 2009 het jaar van de overgang van Effata van gemeenschap naar ‘heilige’ familie?

In elk geval wens ik jullie allemaal een zalig, innig en vredevol nieuw jaar!

 

 

Wouter, zondag 28 december 2008

 

 

afdrukbare versie (47 kB)