![]() |
||||||||
| |
||||||||
| Kroniek
van de maand april 2010
Grijp, beste lezer, voor één keer terug naar de kronieken van de vorige maand en lees de laatste regel van het verhaal over Palmzondag: Geen zegen, geen slotlied, de Goede Week staat open, tot Pasen! De viering van Witte Donderdag (1/4) begint dus zonder kruisteken, zonder beginformules, de weg naar Pasen staat nog open, een weg doorheen de Goede Week om onszelf tijd te geven ons af te vragen waar het nu echt om gaat. Het eerste lied (20) maakt dat al heel duidelijk: “Dat in ons midden liefde woont, God zelf!” We zitten rond de tafel, in de kapel, een plaats om te vieren, een bovenzaal, afgelegen, op deze dag van het ongedesemde brood, gedekt met witte tafellakens, wat bloemen, brood, wijn, water, al wat er nodig is voor een avondmaal. Het is nog midden in de laatste schoolweek, maar uit vele gezinnen is toch iemand gekomen, heeft iemand zich vrijgemaakt. Om te zingen, om te luisteren naar het evangelie volgens Lucas, vanavond naar het laatste avondmaal van Jezus met zijn leerlingen. Tussen haakjes, er wordt soms gezegd dat Effata ‘gemakkelijk’ omgaat met het Laatste Avondmaal, anders dan in de opgelegde liturgie. Maar alle evangelisten en ook Paulus vertellen het verhaal op hun manier, wij zijn dus niet alleen! Wíj luisteren naar het evangelie volgens Lucas. Lang geleden schreef Huub Oosterhuis een gedicht, gepubliceerd in een van zijn eerste boekjes, nooit vergeten, zo eenvoudig, ongeveer als volgt: Wenend wil ik uitleggen wat ik zo dikwijls doe Voor sommigen een bewijs dat Huub Oosterhuis al zijn geloof verloor, maar in werkelijkheid is er geen betere tekst over iemand die probeert te begrijpen, over zich toevertrouwen. Zo formuleerde Tertullianus het: “Credo quia absurdum!” Zoals mensen die van elkaar houden, vaststellen dat nabijheid ook in discussie kan eindigen. Zoals Jezus, die met al het goede dat hij nog wilde zeggen aan zijn leerlingen, moet vaststellen dat ze het niet verstaan hebben en dat hijzelf geen tijd meer heeft om het nog te zeggen. Dan grijpt een mens naar tekenen: dagelijks brood, breken en delen. Jezus zegt: “Dat zou ik met mezelf willen doen, want ik zie je zo graag. Beker, wijn, feest, vreugde, toekomst, geloof toch dat God met u meegaat, zie hoe hij met de mensen bezig is!” Huub Oosterhuis schreef in dat gedicht: “Dat brood leven is en leven dood betekent …”, teken van onmacht en onmogelijke liefde. Alle apostelen, ook Paulus, schreven daarover, alleen Johannes niet, die sprak over een ander teken van onmacht, voetwassing, de grootste is de dienaar van allen, maar het blijft: “Credo quia absurdum”! Hier wassen we niet elkaars voeten, het is niet meer uit deze tijd, maar wij worden uitgenodigd de handen te wassen en dan het moeilijke gebaar van overgave te doen: onze handen te laten afdrogen door een ander, te vechten tegen beter weten, met open handen staan. Wij stellen dat gebaar, in grote stilte en eerbied voor elkaar en voor het teken van onmacht. De laatste uren van een mens blijven je bij, de laatste woorden, de laatste zorgen, wat hij nog wilde dat ze zouden doen. Ook Jezus, de zoon van de timmerman, Zoon van God geworden, deed dat. Intens hebben ze met hem gepraat, hij heeft een bindende afspraak gemaakt: “Doe wat ik gedaan heb, leef zoals ik geleefd heb!” We doen wat hij gevraagd heeft: samen eten, samen drinken, maar dan komt de tijd van stilte, brood en wijn, symbool van zijn lichaam en bloed, ter verering op het altaar, met bloemen en heel veel licht. ‘Heer van hierboven, als ik misschien niet kan geloven zonder te zien, geef mij dat ik uw voetstap hoor’, is dat ongeloof, of een vraag om hulp en zekerheid? Wij gaan heen in stilte.
De woestijn is Golgotha geworden, drie kale gevlochten kruisen in weer en wind. Goede Vrijdag. Op de rand van het koor, de lege tafel met purperen doeken, de menora, de brandende Jezuskaars, lijden en verdriet, de icoon aan het berkenhouten kruis. We gaan verder met Jezus, die onmachtig is om voor iedereen goed te doen en niets anders meer kon dan brood breken: ik wil dat brood gebroken zijn, gegeten. Vandaag vieren we dat het met iets of iemand die dood is en begraven gedaan is. We lezen het lijdensverhaal, maar ook die lange voorbeden, al van voor het concilie, maar nadien vastgeknoopt aan het leven van Christus. Guido doet achteraan in de kapel de rode kazuifel aan en in processie wordt de kruislieveheer, vastgebonden op het kruis, naar voor gebracht. We luisteren naar wat de profeet Jesaja zegde over de man van smarten, door lijden getekend, die de wil van God volbracht, naar het lijdensverhaal, zo bekend en telkens weer ontroerend, bitter, zo echt en hedendaags. Tot Jezus het hoofd buigt en de geest geeft. Je kunt niets anders dan knielen bij zoveel offer, zoveel verdriet. De Jezuskaars wordt ook gedoofd, er is enkel dood. Hij is voorbijgegaan, een steekvlam in de nacht? Is Jezus om onze zonden gestorven? Niet omdat we eens teveel eten, eens verkeerd parkeren, een halve waarheid vertellen, neen, daarom niet. Niet omdat wij als mensen niet doen wat we zouden moeten doen. Maar wel omdat de wereld verkeerd in elkaar zit, omdat het is van ‘pak, wat je kunt krijgen, je leeft maar één keer’, omdat we alles doen om geld, omdat er mensen zijn, die denken dat kleine mensjes niets kunnen veranderen en dus maar bij de pakken blijven zitten, omdat onze wereld nog altijd niet houdt van profeten, omdat mensen het goede in hun hart loslaten. Wij weten dat omdat hij bleef zeggen, zelfs na de brutaalste verwijten (Kom van dat kruis af, als je kunt!), dat de weg van de Vader, de eerlijkheid, de goede weg was en is. Omdat hij bleef geloven dat deze wereld heel belangrijk is, omdat hij bleef herhalen dat God groter is dan ons hart, omdat hij een mens was die God graag zag. Dus is het goed dat we dat leven van Jezus nu en dagelijks herdenken en moed en kracht en vertrouwen uitspreken Je kunt nu niets anders dan eerbied tonen, de gekruisigde dode vereren met een bloem, enkele bloemen, een ruiker, een zee van bloemen, een aanraking, een kus. Tijd nemen, want eens de mens gestorven is, kun je er niets meer aan doen. Denken aan die stad, om in te wonen, Jerusjalaïm, stad van God, voor de mensen een veilig thuis? Denken vol verdriet aan al die vrienden, ouders, lieve mensen die ons zijn voorgegaan, vol weemoed en tranen. Dan volgt de lange wake met voorbeden en gezongen en geneuried: “Blijf nu hier en waak nu met mij, waken en bidden”, hem indachtig, die in leven en dood onze broeder is geworden, die opriep tegen eigenbelang, die alle kwaad op zich nam. Ook voor hen die niet tot bidden komen, voor die ziek zijn en zich van God en iedereen verlaten voelen en voor hen voor wie alles meezit. Wij bidden samen zijn gebed, wensen elkaar inniger dan anders vrede toe. De communie wordt uitgereikt, de slotgebeden en dan die gewichtige zending: “De beker is geledigd tot de laatste druppel. De lege beker ligt nu bij de kruislieveheer, Guido verlaat de kerk in stilte, de lichten worden gedoofd, de lange nacht gaat in.
Over dubbelhartig denken, eerst Hosanna, dan ‘Kruisig hem!’, naar vieren dat Jezus in de vaste overtuiging was dat God hem trouw was, naar vanavond (3 april): de paaswake, Pasen. Overtuigd zijn dat er toekomst is, kijken naar heel veel tekenen, zoals Jezus in uiterste nood teruggreep naar het teken van het breken van het brood. Vanavond zijn de tekenen: vuur, water, woord, tafel. Uitgangspunt van dit vieren: God wil déze wereld. Heel veel mensen in de kapel, in het koor staat het zangkoor, voor éénmaal als koor opgesteld. De woestijn is leeg, toch vol licht. Ervoor een grote waterkruik, overal nieuwe kaarsen, de paaskandelaar, een wijwatervat, de menora, alles leeg. Het scheppingsverhaal over vuur en licht: de kleurrijke menorakaarsen worden aangebracht. De derde dag: water begint in de woestijn te stromen, een bron, helder water. Dan bloeit de woestijn langzaam op, de aarde wordt vruchtbaar, uit chaos schept God de aarde, de mens, man en vrouw, naar zijn beeld, en op de zevende dag genoot Hij en heiligde zo die dag. Dan volgt het woord, samengevat in de bijbel, teken dat God deze aarde wil, een blijde boodschap, zoals Darwin ons vertelde over verleden, heden, toekomst van deze aarde. De zware bijbel wordt op de versierde staander geplaatst: Zijn onvergankelijk testament, Schrift die toekomst schrijft, Naam die trouw blijft! Een eerste deel van het evangelie, de vrouwen die in alle vroegte het lege graf vinden, de steen is weggerold, ze zijn woorden indachtig dat hij op de derde dag zou verrijzen: “Dan zal ik leven!”. Gisterenavond, in Bracke op vrijdag, sprak professor Etienne Vermeersch, die al tot tienmaal toe gezegd heeft dat hij niet in God gelooft, op teevee met Siegfried Bracke. Ditmaal argumenteerde hij zijn stelling met het feit dat hij niet begrijpt dat de christenen zoveel belang hechten aan het leven hier als de onsterfelijkheid bestaat! Hij weet met zekerheid dat de onsterfelijkheid, dat de hemel niet bestaat (want hij heeft die bestudeerd), gemiddeld 80 jaar hier leven op aarde staat dan tegen een eeuwigheid leven in een onnoemelijke schoonheid. En dus vindt hij dat hij duidelijk moet maken dat die onsterfelijkheid niet kan bestaan. Maar verrijzenis is meer zien en voelen, elkaar hier bij de hand nemen, zodat er een grote steen van ons hart valt. Er in slagen om hier in harmonie te leven met onszelf is: een stukje verrijzenis leren kennen. God ís aanwezig waar mensen belangeloos, gratis, voor elkaar zorgen. Drie kruiken met water worden aangebracht voor de grote waterkruik en om het wijwatervat te vullen. We luisteren naar Johannes, die vertelt over Jezus, op weg in Samaria, die daar een vrouw aanspreekt en water vraagt: “Als je wist wie u vraagt om drinken: dan zou je hem om levend water vragen!” Guido zegent het doopwater, dat ons herinnert aan Jezus: “Moge hij tot wijn van vreugde zijn voor allen”. Met de palmtak die aan het kruis hangt, gaat hij door de kerk en zegent overvloedig iedereen met het doopwater, teken van de vroegere onderdompeling: “Surrexit Christus, alleluja!” zingen wij, Hij is waarlijk verrezen! De tafel wordt gedekt, zo heel veel kinderen helpen, het wordt feest! Hoe vierden de joden dit feest: Rabbijntje vertelt het ons, tot schrik van Wout, die bang is van die ‘monsters’. Maar er is toch nog iets tekort? Er is al licht, maar nog geen vuur, ook niet aan de godslamp, waar de kinderen, bijna automatisch, vuur zoeken om de kaarsen aan te steken. Achteraan in de kapel wordt de brandende paaskaars omhooggestoken en feestelijk naar voor gebracht. Nu kunnen alle kaarsen aangestoken worden: “Geprezen zij onze God, wees verheugd, Hij komt in macht en heerlijkheid!” Het tafelgebed (202) samen bidden, een Onze Vader, communiceren, zoeken naar elkaar om mens te zijn, een kaarsje krijgen. Licht krijgen en doorgeven, symbool waarvan Genesis spreekt, wat Job bidt, wat psalm 13 dicht, Jesaja profeteert, Jezus van Nazareth zegt, Matteüs vertelt: Jezus is het licht van deze wereld. We eindigen met het lied van de opstanding: het lied van de steppe die gaat bloeien, van onze, nu bloeiende, van water overlopende, woestijn. Het woord dat tot ons is gesproken, van hoop en bemoediging, dat ik als gewone mens, zo dicht bij God mag staan met alle fouten en gebreken. Want God zegt, telkens als je van mij wegloopt, loop ik je achterna. Alleluja! Het laatste aandenken, dat afsluit met een witte sjaal, dank voor al wie meehielp voor deze feesten. De paasvreugde wordt ons gewenst: een Zalig Pasen!
Op Pasen zelf zingen we met een monter koor in de gevangenis. Pater Ives gaat voor in een ‘klassiekere ‘ mis, voor een vijftigtal gevangenen. Wij kunnen het ons goed inbeelden, zegt hij: nu staan er ook veel mensen rond het kruis van Jezus die tussen de criminelen hangt. Wat zeggen ze: dat is niet waar, het leven is goed voor wie werkt. Dus is gerechtigheid geschied! En nu gaan we over tot wat echt belangrijk is: hard de moeite doen alsof leven geen mislukking is, drugs en medicatie gebruiken, geld verdienen, alles doen alsof lijden niet bestaat. Wie blijft zijn wat tollenaars als Levi, die wél ontdekt hadden dat geld alles kapot maakt. Of iemand als Maria Magdalena, die om geld of affectie op het verkeerde pad was geraakt, betrapt was op overspel, gestenigd moest worden, gered werd door Jezus. Of Petrus, de niet altijd zo moedige man, de twijfelaar, waar op dan toch maar een kerk werd gebouwd. Ook wij mogen op Jezus vertrouwen, maar toch ligt hij nu in een graf, achter een steen. Wie heeft de steen weggerold? Wie rolt de steen weg van ons graf van duisternis? Maar de barmhartigheid van God is ongeketend, veel sterker dan de dood. Ook hier wordt vrede gewenst, met wat beperkingen, omdat we toch in een gevangenis zijn, maar de wens is er niet echter om: “Ubi caritas et amor, ibi Deus est”.
Effata op reis naar Altenahr (D) van 5 tot 8 april. Wie er bij was, wie er kón bij zijn, heeft Effata ervaren, in een jeugdherberg, met duidelijke afspraken, maar toch de vrijheid om mee te stappen, steeds hoger, in bossen en steile hellingen. Of naar Bonn te gaan, naar de stad die veel langer dan gepland de hoofdstad werd van het nieuwe Duitsland na Wereldoorlog II. Rond het kampvuur zitten, in de koele avond en dan uiteindelijk zien dat het vuur met heel veel zorg toch oplaait. Wijnproeven, het oude kerkje van Altenahr bezoeken, rodelen, fietsen, zwemmen, de avondsluitingen, samen zingen en het spel van de verleiding spelen (opletten en soms géén genade kennen, maar toch weten dat samenwerken belangrijk is). Als ‘aangespoelde’ het onthaal van de groep mogen ervaren, geen vragen: “Wie is dat?”, geen wantrouwen. Samen eten, en het is er lekker en eenvoudig, en gewoon in de zon zitten, een boek lezen, want het was er goed!
Een zonnige avond, een drukke dag, 10 april, ook voor Odette. Een dag van praten over en luisteren naar ideeën over het Clemensproject, een dag van de laatste bijeenkomst voor de plechtige communicanten, nu opnieuw verwelkomd worden voor de Effataviering. In de viering gaan we weer terug naar het ‘gewone’ leven, na de Goede Week en Pasen. Wat opvalt, is dat al die gebeurtenissen vóór Pasen in de evangelies tot in detail beschreven zijn, stap voor stap. Dan komt de verrijzenis. Dan niets meer, zelfs niet wát verrijzenis is: de steen is weggerold, het graf is leeg. Geen details meer, alleen: Hij leeft! Sommigen hebben hem gezien, maar niet herkend, denk aan de Emmaüsgangers die hem niet herkend hebben, ze hebben zijn gezicht al vergeten … De leerlingen hebben zich opgesloten, zich teruggetrokken, ze willen niet meer aangesproken worden: “Ben je er nog niet over? Het was misschien het beste zo …”. Dat verhaal lezen we bij Johannes 20, 19-31. Rare mensen die leerlingen. Vermoedelijk zijn ze allemaal een beetje dépri, want ze zijn weggelopen, ze hebben Jezus alleen laten sterven, ze zijn vergeten dat zijn boodschap er een was van vrede en vergeving, een boodschap die hen bindt. Jezus wenst hen vrede toe. Een week later zijn ze daar weer bijeen, deze keer is Tomas erbij. Tomas die zich voor de zaak inzette, die bij de dood van Lazarus, de enige der leerlingen was die voorstelde om bij Jezus te blijven, om samen met hem te sterven. Nu vraagt hij om zijn vinger te mogen leggen op de wonden. Tomas is kritisch, is een voorbeeld van hoop, een beeld van Effata: kritisch blijven, de wereld en de omgeving bevragen, geen gesloten, ten ondergang gedoemde entiteit worden. Ons afvragen of het wel goed is wat we aan het doen zijn: het ontdekken, elke dag van ons leven van verrijzenis en soms zien we even oplichten wat het betekent nu al geroepen te zijn als verrezene. Straks is er koffie, brood, zijn er tassen en wordt er afgewassen, maar dat is niet normáál. Of denken we: het is wel normaal dat mensen zorgen – voor mij? Mensen, energie, geld, bekommernis in handen van anderen leggen is niét normaal, het rijk van God komt zo nabij! Zoveel dingen die we evident vinden, zijn dat niet en zo zien we wat dat betekent als verrezen mensen te leven, mensen die voor elkaar zorgen. Maar vandaag is de vreugde van de verrijzenis ook gericht op hen die we gedenken, hen die ons zijn voorgegaan. Met Pasen. Jezus heeft hen bij de hand genomen en zo zijn zij, ook wij met Jezus verbonden. Ieder van ons heeft de naam van iemand die zij of hij speciaal wil gedenken op een briefje geschreven en die briefjes liggen nu op de weg in de woestijn, naar het kruis, dat een boom van leven is geworden, dat de aarde een nieuw gezicht heeft gegeven. “Dona la pace, Signore!”. De woestijn is nu volop een weg van leven! Wij hebben gebeden voor een collega die zijn schoonvader heeft begraven, voor een schoonbroer, voor een plots overleden buurman, voor twee overleden buren; wij hebben gedankt voor de vakantie in Altenahr, vol liefde en zorg voor elkaar en omdat we mogen vertrouwen in de goedheid van mensen. Dan is er de ‘naviering’, met koffie en lekker brood, de tassen staan gereed, de afwas wordt gedaan, normaal?
Extra stuurgroepvergadering op 12/4: één punt, de verdere detailvoorbereiding van het feest volgende zaterdag.
En die zaterdag 17/4 wérd een feest, het zilveren priesterjubileum van Guido. Met honderd extra stoelen in een feestelijk versierde kapel, met de familie, met de hele Effatagemeenschap, met redemptoristenbroeders van Guido uit de provincie, met heel veel vrienden, allemaal met en kleurige viltbloem. Allen verwelkomd door Bernadette om samen te genieten, te luisteren, te zingen over het woord van God. Toch is het ook een gewone viering, die volgt op wat verleden week verteld werd. 50 dagen krijgen we nu om ons af te vragen wat verrijzenis nu wel is. De apostelen vroegen zich dat trouwens ook af, zoals Tomas, die zijn vinger in de wonde wil leggen van hem die gestorven op het kruis, nu levend is! We eindigden met de woorden: “Opdat we zouden geloven en leven hebben in zijn naam!” Is het boek daarmee af? Het evangelie volgens Johannes geschreven? Neen, er komt nog een stuk aan (Johannes 21), het begint opnieuw, later, ook vandaag, over verrijzenis, om ons te doen nadenken over dat woord: verrijzenis. Het is als een droom, een man op de oever. De leerlingen zijn, teleurgesteld, na hun eerste schrik, terug naar Galilea gegaan, terug naar hun vroegere taak, Simon Petrus om terug te gaan vissen. Het lukt niet, ze vangen niets, iemand roept hen toe, om wat vis te vragen, dan om de netten uit te werpen aan de andere kant van de boot … en ze vangen, heel veel vis. Het is Jezus, er is een vuurtje op de oever, met vis erop, en brood. Waarom had Jezus toch om vis gevraagd? Vreemd! Voor Petrus is dat vuur een herinnering aan de avond voor Jezus’ dood, toen hij hem driemaal verraadde en de haan kraaide. Toch vraagt Jezus hem, ook driemaal, voor ons te zorgen, als een goede herder, aan die Petrus die al eens wat beloofd had … maar God vertrouwt mensen toe aan mensen op voorwaarde dat ze liefhebben. Heeft Jezus met die driemaal herhaalde vraag, de fouten van Petrus nog eens goed ingepeperd? Neen, Jezus is niet iemand die achteraf op fouten wijst, voor hem is voorbij, wat voorbij is. Maar waarom vraagt hij dat dan driemaal? Guido is vijftien jaar geleden naar het antwoord op zoek gegaan op een reis met Peter Schmidt, in de voetsporen van Paulus naar Efeze. Daar heeft hij zich plots gerealiseerd dat er in Efeze twee christengemeenschappen waren, die van Paulus en die van Johannes, die blijkbaar elkaar zelfs niet kenden. Ze hadden elk een andere visie op het evangelie: Paulus leunt aan bij de Romeinen, met veel structuur, Johannes legt de nadruk op liefde en zorg voor elkaar, zonder veel organisatie. Als de vervolgingen beginnen in de 2de eeuw dan moeten de christenen zich aan elkaar vasthouden en komen die twee kerken bijeen, de Petruskerk met organisatie en de Johanneskerk met liefde tussen de mensen. Eigenlijk is het slot van het evangelie van Johannes dus een contract tussen die twee kerken, met als voorwaarde dat het niet de macht, maar de liefde is die ons bijeenbrengt. Ook voor onze kerk van vandaag is dat een boodschap, dat de band die ons bijeenhoudt een band van liefde is, niet de band van macht. Dát is de boodschap: God ziet ons graag, groot of klein, dik of dun, …, en de vraag is: “Hou je van Mij?” De tafel dekken, samen herdenken zoals Jezus het vroeg, samen bidden, samen brood breken en wijn delen. De jonge mensen, de wat ouderen, samen zingen zij het ‘Lied van een waterdruppel’. Dan bidden we voor Guido en allen die zich gezonden weten in Gods kerk, we denken aan Guido’s vader en allen die heen zijn gegaan, met Jebron bidden we voor alle grote en kleine gemeenschappen die samen op weg gaan. We bidden dat jonge mensen in Jezus’ woord, dat hij liefde is, mogen geloven. We danken voor het vele dat Guido gedaan kreeg en dat zijn grote droom in de Voskenslaan mag verwezenlijkt worden. We bidden met Guido dat God, onze Vader, die ons zo goed kent, met ons mee gaat. Dan is het aan Guido, om te zeggen wat we al weten en aanvaard hebben: dat hij niet voor grote feestelijkheden is, wel voor een feest, maar dat mag zich niet op hem toespitsen. Dat als hij hier staat het te danken is aan allen, aan zijn pa en ma, de familie die hem heeft recht gehouden, vertrouwen gegeven. Aan priesters die hebben getoond dat het mogelijk is al priester te leven, zijn confraters, allen die door zorg en aanwezigheid het de moeite waard hebben gemaakt het evangelie zichtbaar te maken. Aan de stuurgroep, aan de Broeders van Liefde en vooral, aan de Verborgen Vader die voor hem, voor ons als voor Zijn kinderen zorgt. Alles samengevat op een aandenken aan deze innige viering. Geen speeches? Toch wel: een dankwoord aan de zilveren Guido, én gemaakt door onze eigen couturière: drie stola’s met het Clemensembleem, ter herinnering aan deze feestelijke dag. Het slotlied (nr. 45) is voor de gelegenheid herschreven tot een ‘Zegenbede voor Guido’, dat zal hierboven zeker gehoord zijn! Effata zou Effata niet zijn zonder nóg een wonder: er volgt een receptie en voor wie ingeschreven is een lekkere maaltijd voor velen, met dessert, heel veel nakaarten, dans en muziek. Wie twijfelt nog aan Tom’s organisatietalent en aan de werklust van al die onbaatzuchtige helpers? Als we weg gaan is de kapel al weer piekfijn in orde, de rest (Effatazaal en Taborzaal) is
Op de eerste Tabor na de paasvakantie (21/4), bouwt Frans C. voort op de ervaring van Pasen: Jezus leeft! In elk van ons, voor elk van ons en door elk van ons. Hij wil dat we weer verrijzen, telkens weer. Johannes maakt ons in zijn evangelie (6, 35-40) duidelijk dat God niemand wil buitensluiten, niemand mag verloren gaan. Het begint met luisteren, luisteren naar God: wat wil Hij van mij? Luisteren naar de mensen die we ontmoeten, aandacht voor hen hebben, gemeend ‘goede dag’ zeggen, betrokken zijn op wat bij hen leeft. Aandachtig zijn voor de mensen die ik - soms ondanks mezelf – buitensluit, dat veránderen omdat God dit belangrijk vindt, omdat de liefde uiteindelijk het verschil ten goede tot leven maakt. Geen eenvoudige opdracht! (Bedankt Frans, voor deze samenvatting!)
Koorrepetitie op 23/4: kort en krachtig, met receptie uit dank van Guido, voor iedereen en alles. (dixit Nicole, want we waren er zelf niet bij: L’Arpeggiata!)
Effataviering met de doop van Feja, kleinkind van Chrisje en Fons op 24 april. Wij waren er (weeral) niet bij: als je zelf veel kleinkinderen hebt, komen de plechtige communies en het vormsel als aan de lopende band! Maar Chris VL heeft voor ons een korte tekst opgesteld: “In mijn verwelkoming heb ik het over de momenten in het leven waar ik even achterom keek. Voor mij was dat bij de geboorte van onze kleinkinderen. Dat deed me terugdenken aan de geboorte van onze eigen kinderen. Ik moest dan onmiddellijk denken aan de weg die op dat ogenblik was afgelegd. Het onderweg zijn met elkaar en nu ook met dat nieuwe jonge leven van een kleinkind. In naam van de gemeenschap verwelkom ik dan Feja en haar familie. Speciaal naar Feja zeg ik dat ze samen met mama en papa welkom is binnen onze gemeenschap waarin ze straks door haar doopsel wordt opgenomen. Guido begint de viering met te zeggen dat hij nog nooit zo met tegenzin aan een viering begon zoals dat vandaag het geval is. Het nieuws over de Brugse bisschop raakt hem diep. Hij begrijpt dat dit diepe sporen zal nalaten bij heel veel mensen. Het is héél stil in de kapel. Na een lezing uit de eerste brief aan Timóteüs 3, 1-13, die gaat over ‘leiders en diakens’ en hoe die zich moeten gedragen in een gemeenschap waarover zij de verantwoordelijkheid hebben, gaat Guido in zijn homilie dieper in op dit thema. Op het einde van zijn homilie zegt hij dat we de moed niet mogen opgeven en moeten blijven werken aan de toekomst. Nieuw leven, het opnemen van een kind in onze gemeenschap is zo een kans om op weg te gaan met elkaar. Guido vraagt daarop aan de ouders naar de betekenis van de naam van ‘Feja’: volgens hen betekent die naam ‘fee’. Een mooie naam om mee door het leven te gaan! Daarop wordt Feja door haar doopsel opgenomen in de gemeenschap. Op het einde van de viering wordt Feja toegewijd aan onze Moeder Maria.” (Op deze website vind je een prachtige reeks foto’s van deze viering!)
Voor Tabor van 28/4 heeft Chris VL gekozen voor een lezing uit Matteüs 11, 25-30: “Mijn juk is zacht en mijn last is licht.” Wat is hierbij mijn oprechte opdracht? Jezus daagt ons uit te zijn wie we in wezen zijn; leven in gemeenschap is enkel mogelijk op grond van een eigen vrije keuze voor verbondenheid. Op grond van een keuze voor dienen, om een plaats te vormen waar mensen niet uit elkaars genade vallen. Wij hebben gebeden voor een familielid dat haar eerste chemokuur moet doorstaan, voor alle kinderen die hun plechtige of eerste communie doen, voor mensen die moeten leven met een lege plaats aan hun zijde, voor zieke mensen, dat ze de moed niet verliezen.
Basiscursus “Het avontuur en ik” op 30/4: Bernadette heeft die avond over ‘Gebed, zuurstof voor de ziel’, voor ons wat samengevat. Zij doet dat als volgt: “Als ik God wil vinden, wil geloven dus, moet ik hem zoeken in de wereld rondom mij. Door te bidden kan ik dan mij relatie met God onderhouden. Aan een relatie moet gewerkt worden, dat is ook zo binnen het geloof. Drie componenten kunnen daarbij belangrijk zijn: het rituele gebed dat tot het verbindende gebed kan gaan, het heel bewust tijd maken voor God en het leven in Gods nabijheid. Dat zijn hoogtepunten in mijn relatie met God waar ik verder kan van leven. Op deze avond worden we uitgenodigd deze weg steeds verder te gaan en onze relatie met God te verdiepen.”
Het was een drukke maand met nog meer verborgen werk van velen, met vreugde met onze zilveren Guido, met vreugde om Pasen, met vreugde om verrijzenis! Met de eerste meiklokjes!
Wouter, zondag 2 mei 2010, nog onder de indruk van de virtuositeit van La petite Bande.
|
||||||||