![]() |
||||||||
| |
||||||||
| Kroniek
van de maand april 2009
Geen dag te verliezen, dus Tabor op 1/4, geen aprilvis en dus niets over ‘mensenvissen’, maar wel de tekst van Lucas, 9, 18-24, over de belijdenis van Petrus en de eerste voorspelling van Jezus van zijn komend lijden. “Wie zeg jij dat ik ben?” is een precieze vraag, maar wat antwoord je daar op? “De gezalfde van God”? Maar wat betekent dat, wacht en spreek er met niemand over tot je het weet, en dan komt dat beeld van de lijdende dienstknecht, daar begrijpen ook zijn leerlingen niets meer van. Wie hem wil volgen, met hem gemeenschap stichten, zou dat wel moeten begrijpen, anders zullen er velen vertrekken, vluchten en dan toch weer terugkeren, dat is het verhaal van Jezus. In gemeenschap leven met Jezus is dagelijks het kruis opnemen en wat betekent dát dan weer voor elk van ons? “Ik weet het niet,” zegt Chris, “maar in elk geval, ik heb gemeenschap nodig om te weten wie ik ben!” Wij bidden voor pater Paul die overleden is, voor zieken en voor hen die pijn hebben, maar ook opdat we zouden genieten van mooie momenten in ons leven.
2 april: vergadering van de stuurgroep, evalueren van wat voorbij is en plannen van de paasweek, maar ook van de bijeenkomst met hen die geïnteresseerd zijn om samen het Clemensproject te dragen.
Palmzondag, 4 april. In een kraaknette kapel, door vele zorgende handen opgepoetst. Letterlijk het begin van de paasweek, van de goede Week, waarin we stap voor stap met Jezus meegaan. Een viering die vandaag begint, zonder slotgebed, zonder zegen of kruisteken, een viering die maar eindigen zal in de paaswake. Vandaag is palm het symbool van de viering, een vredesteken, geen magisch teken van bescherming, wel een teken van vertrouwen, van hoop, van doorzetten. De liturgie wordt gevierd met twee kleuren, eerst wit om ‘Hosanna’ te roepen, vol goede wil om voor mensen op te komen, dan rood als het ‘Kruisig hem’ weerklinkt, als we de moed verliezen met Petrus. Als we binnen komen krijgen we enkele palmtakjes, samengebonden met een wit en een rood lintje, als een kleine kwispel. De Jezuskaars wordt aangestoken, het openingsgebed gebeden, Palmzondag geprezen en beklaagd, de palmtakken en de aandenkens met de palm en de tekst naar Marcus 8, vers 35: ‘Wie zijn leven niet wil geven, …’ worden gezegend. Palm die helemaal niets kost, een ding van niets en toch vol betekenis, de vreugde van Witte Donderdag en de droefheid van Goede Vrijdag, van rouw naar hoop, iets van Pasen, ons nu al gegeven. Wij luisteren naar het evangelie naar Matteüs, 21, 1-11, en Guido brengt de Christusicoon, hoog geheven, met de palm erbij, naar voor. Wij allen brengen de samengebonden palmtakjes met de witte en rode lintjes aan, ze worden door behulpzame handen rond de Christusicoon vererend vastgemaakt. Nu wordt het berkenhouten kruis aangedragen, Guido trekt de rode kazuifel aan en bemoedigende woorden over hem die lijdt aan de wil van God, naar het woord van de profeet Jesaja, worden ons aangereikt. We luisteren naar het lijdensverhaal, de woorden van Petrus, de man waarop zo velen rekenden: “Ik ken die man niet!” Maar ook wij krijgen die vraag: “Wie is trouw als iedereen vlucht?” Het verhaal gaat verder, bekend en toch weer telkens nieuw, de ondervraging door de hogepriesters en het Sanhedrin, de beschimpingen en de afranseling, de dodende haat, de twijfel van Pilatus. En weer recht naar ons toe, de opdracht: “Laten wij bidden om staande te blijven.” Staande blijven als je die droevige tocht hoort: de kruisdraging, het gedwongen helpen van Simon uit Cyrene, de wijn en de gal, de spot en het misbaar: “Anderen kon hij wel redden, maar zichzelf niet!”, zijn dood aan het kruis in duisternis. Als ik hier kniel, is het geen gewoonte, geleerd van mijn ouders, maar diepe deernis, diepe eerbied voor al wat in en achter dit verhaal gebeurt, geleden is en nu nog steeds geleden wordt. Het kruiswegverhaal bevindt zich ook rond ons, in vele kleuren, koperomrand, de kruisafneming, de graflegging, de eindeloze zorg van vrouwen en moeders voor die dode man, kijkend en beseffend: Totdat wanhoop en verzet Alle voorbeden zijn gericht op Jezus: hij was maar een man op een ezel, eenvoudig en zonder aanzien, koning der armen, de zachtste der mensen en toch een man in het verzet: moeten wij ons dan ook niet grondig veranderen als wij zijn naam willen blijven dragen: “Keer ons toe naar elkaar.” Wij verlaten de kapel met palmtakken, om ze aan te brengen, naar oud gebruik, op die plaatsen waar ze er ons telkens weer zullen aan herinneren dat Goede Vrijdag, hoe droevig ook, maar een doorgang is naar Pasen. Wit en rood, licht en schaduw, rust en spanning om wat deze week gebeuren gaat …
Tussendoor nog een koorrepetitie op 7/4. Ik heb het gevoel dat alles fout gaat, maar moet een generale repetitie niet mislopen? Te luid, te ‘glissando’, te laat; een nieuwe, nooit gehoorde versie, het kerkkoor van … (niet ingevuld om niemand te kwetsen). Maar het komt goed: God is on our side!
Witte Donderdag. We zitten in de benedenkapel, rond de tafel, gedekt met bekers, bloemen, wijn en water, waterschalen en handdoeken. De kaarsen branden, er is veel licht in de kapel. We luisteren naar het verhaal van het paasmaal dat Jezus met zijn vrienden voorbereidde, in een gespannen, nerveuze sfeer, in een bovenzaal, een afgelegen vertrek. Daar zal Jezus zijn beker doorgeven aan zijn vrienden, ten einde raad. In de voorbije weken hebben we gelezen uit de brieven van Paulus, die het prilste begin van het christendom, van vóór de evangelies, weergeven. Maar we hebben ook gezien dat brood breken en wijn delen méér was dan het symbool van de christenen die samenkwamen, dat het God zelf is die eventjes de wereld raakt. De lezing komt deze dag uit 1Kor. 11, 7-26 en 33-34, gericht aan een kleine gemeenschap, in een stad zonder geschiedenis en zonder traditie. Ze hebben daar de neiging zelf traditie te scheppen, Paulus moet ze wat intomen. Ze stellen blijkbaar ook veel vragen, want Paulus schrijft hen over het huwelijk, over de rol van de vrouw in de gemeenschap, over het eten van offervlees. Wat hij schrijft, zijn feitelijk de oudste geschreven verklaringen over de eucharistie, die een liefdesmaaltijd moet zijn voor allen, voor de rijken, voor de slaven, voor de handelaars, voor hen die minder begoed zijn. Al 2000 jaar komen christenen samen rond beker en brood, iets wat niet te begrijpen is, niet uit te leggen, dat van zo diep komt, een gemeenschap die samenkomt om het gebaar van Jezus na te volgen. Voeten wassen gebeurt hier niet, wel geven we het gebaar van vriendschap door, door onze handen te wassen in de waterschalen en onze natte handen te laten afdrogen door wie na ons komt en voor hen hetzelfde te doen, want velen zijn ook daarvoor van anderen afhankelijk. Wij vieren het gebaar van Jezus, het breken en eten van het brood, het doorgeven van de beker: “Hou mij in gedachten en ik zal leven”. Dit is een dag van symbolen, van bekende woorden, van de schapen die vertrouwd zijn met hun herder, van de wijnrank die gekoesterd wordt als hij vruchten draagt. Een dag van herinnering aan de liefde van Jezus tot zijn Vader, van zijn indringende vraag om de mensen te sparen en te bewaren. Een dag van herdenken van zwakte en ontrouw van mensen. De dag van zijn uur, waarin hij het uitvocht, niet met het zwaard, niet met mensen, maar met zichzelf … en met God … totdat hij zeggen kon: Vader Uw wil geschiedde. Een dag waarop we in alle stilte ons tot Jezus kunnen keren en zwijgend bidden.
Goede Vrijdag. Een lege tafel in de benedenkerk, enkele bloemen slechts, stoelen gericht op die tafel, het is stil. Geen lege stilte, een stilte vol van hoop en verwachting, zekerheid dat de dood niet het laatste woord heeft gehad. Het evangelie, het lijdensverhaal is dat van Johannes, die een koninklijke Jezus toont, een lijdende Jezus, maar toch een Jezus die boven dat lijden staat. Stel je die eerste christenen voor, geen teksten, geen liturgie, maar ze hadden wel het Oude Testament gelezen en herlezen en dus vielen ze daar op terug: op de lijdende dienaar uit Jesaja op de psalmen, meer bepaald op psalm 22. Er blijft voor ons allemaal één vraag open: “Was dat nodig, iemand die zo met God en mens verbonden was, zo vroeg, zo pijnlijk ter dood gebracht?”Steeds is er naar een antwoord gezocht, en vooral naar schuldigen: de joden, want wat zouden ze geroepen hebben? Alle mensen? Voor onze zonden? Of was het Gods fout zoals men in de middeleeuwen dacht: God die zo verschrikkelijk gekwetst is door onze zonden dat Hij het hoogste offer van Zijn eigen zoon vraagt? “Neen!”, zouden we kunnen zeggen, dat heeft géén zin! God heeft toch de dood van Jezus niet nodig om met ons in het reine te komen! Maar de dood is wel des mensen: komen we wel op voor wie zich niet kan verdedigen? Willen we niet steeds meer en delen we dat niet? Vechten we niet om steeds meer macht en willen we wel uit onszelf de weg van Jezus gaan? En soms denken we dat het toch nodig was, iemand moest toch de moed hebben om tot het einde toe, hoe pijnlijk ook solidair te blijven met de mensen. Om tot het einde toe te geloven dat als de mensen elkaar de dood aandoen, bijvoorbeeld door elkaar de liefde te ontnemen, toch te blijven vertrouwen, toch de handen in elkaar te slaan. Om te bewijzen dat God, zijn Vader toch houdt van de mens, en daarvoor moeten we hem respecteren omdat hij alle vertrouwen erin had dat God liefde is. Daarom brengen we hem hulde, met héél veel bloemen, eerbiedig neergelegd naast de gekruisigde, als een bloemenweide. Dan volgt de kruisaanbidding wakend en biddend, biddend en wakend, voor hem die in leven en dood onze broeder is geworden, hem indachtig die vroeg te vergeven en zijn leven toevertrouwde aan God, zijn Vader. Biddend om een lichtende morgen, om de morgen van Pasen. Dan is de beker geledigd, alles is volbracht, de stilte keert terug, ten volle, droevig.
Maar die stilte kan niet lang duren want op zaterdag komen wij weer met velen samen voor de paaswake. In de kapel brandt nog geen licht, de doopvont staat in de benedenkerk, waar ook de paaskaars zal staan. Paaswake: waken kan lang duren, en maar goed ook, iets goeds vraagt tijd, vraag het maar aan een moeder die haar kind draagt. Als we even terugvallen op het joodse paasfeest met de vraag: “Waarom is deze dag anders dan de andere?” dan is het antwoord misschien: omdat we vandaag een kind dopen, maar vooral omdat we vieren dat Jezus uit de doden is opgestaan. Welkom zijn we allemaal, maar vooral Josefien, wier naam betekent: de toegevoegde, zij die verbetert. Josefien krijgt een kruisje van Annette en het oude, Vlaamse: “God zegene en beware je!”. De paaskaars wordt binnengebracht, versierd, aangestoken met vuur uit het wierookvat, er komt meer licht. De lezingen gaan over dag en nacht, over de schepping, over rust voor de mens die dag en nacht respect betoont, over ‘dag’ als je in het gezicht van een mens je zuster of je broeder herkent. Nieuwe kaarsen vervangen de oude, nieuwe kaarsen worden aangestoken, de klok wordt geluid, de bijbel wordt plechtig aangedragen en feestelijk versierd. Er komt nog meer licht. Daar hoort feestelijk gezang bij: een kinderlied ‘Wat, rabbijntje zal gebeuren …’, vragen en antwoorden, samen met ons nieuwe kinderkoor die het echt prima en vol overtuiging doen. We hebben Paulus gevolgd op zijn tocht en in zijn eerste brief aan de Korintiërs, doet hij sterke uitspraken, namelijk dat je alleen christen kunt zijn als je gelooft in verrijzenis: Jezus leeft! God haalt mensen over de dood heen en wat met Jezus gebeurd is, doet God ook aan ons. Die vaststelling is niet simpel. Uit het slot van het evangelie van Marcus (16, 1-8), blijkt dat het voor niemand simpel was, want stonden ze niet verschrikt? Waren ze niet buiten zichzelf van schrik, waren ze niet bang? Het is een rare manier om een evangelie te beëindigen. En toch. Plots ontdek je dat het leven dat je kreeg niet op zichzelf staat, dat er iemand is die zegt: “Ga naar Galilea!” - in onze mensentaal: “Doe voort met je alledaagse leven” – maar dat die Iemand ook van je houdt. Het past bij wat de Joden zeggen: geloven is belangrijk, doen is beter. Of anders gezegd: hoe meer je met elkaar omgaat, een ander steunt, ook wie je niet zo maar verstaat, dan verdiep je je eigen geloof. Kruiken met water worden aangebracht en in de, nu versierde, doopvont gegoten. De lezingen gaan over water dat leven en vruchtbaarheid is, over land en zee die van elkaar gescheiden worden, over bloemen en water, over de doortocht door de Rietzee en door de woestijn. Het water wordt gezegend, ook met de paaskaars, en nu is er het volle licht. Veerle en Nicky komen met hun Josefien en meter Christine en peter Noël rond de doopvont staan. Beloften en wensen: meewerken aan je geluk, Josefien in ons hart sluiten, er ook zijn als ze niet doet wat je verwachtte, een voorbeeld zijn voor haar. Lieve Josefien laat maar zeggen en heeft blijkbaar zin in een ijsje, want ze grijpt met beide handjes naar de micro! Met de gehele gemeenschap bidden we de geloofsbelijdenis die we als aandenken mogen meenemen en dan wordt Josefien gedoopt. Welke wens moet er nog bij? Het koor zingt a capella, geschaard rond die gelukkige groep, vader, moeder, Josefien, de familie: ‘Old Irish blessing’. Dan worden we allen met water uit de doopvont besprenkeld, uitbundig. De tafel wordt gedekt en nu ook feestelijk versierd met allerhande volkse paassymbolen. Het tafelgebed voor de paastijd, samen het ‘Onze Vader’ bidden, de vredeswens, dat alles heeft een nieuwe klank en ontroerende betekenis gekregen: Jezus is bij ons als wij onze hoop met elkaar delen en brood samen breken. We zingen: “Wie zijn leven niet wil geven …” , geven het licht en het vuur van de paaskaars aan elkaar door, ook de godslamp aan het tabernakel wordt aangestoken met het nieuwe licht. Josefien wordt in de armen van Veerle en Nicky aan Maria toegewijd en wij bidden allen samen voor haar een Weesgegroet, De paasweek is afgesloten, dus worden we weer gezegend met de zegenbede. “O happy day!” Josefien en haar ouders hebben gezorgd voor een zoete verrassing, iedereen mag de lotusbloem die herinnert aan Smile Simalia in India meenemen en … er is receptie mét taart en schnabbeltjes!
Ook in de gevangenis is het Pasen en daar gaan we zingen, een beetje ook voor de aalmoezenier, Stanny Bonte, die met pensioen gaat: het is dus de laatste keer dat we hier zingen met Stanny als voorganger. Ook hij spreekt over de verwarde, bange leerlingen. Ontgoocheld, zoals de gevangenen die hun gsm hebben moeten afgeven en zo helemaal afgesloten zijn van de buitenwereld. Of misschien toch iets bijgeleerd, zoals die oorlogskinderen, ingezet door de Duitse bezetter in Wereldoorlog II en nadien gebrandmerkt als collaborateurs, dat alleen de liefde de wereld kan redden. Niet de liefde van de mensen, maar die van God die groot genoeg is. Stanny zal wel weten welke boodschap dat betekent voor die vele gevangenen: “Laat die liefde in u komen, laat ze in uw leven komen, geef ze een kans, zodat je er een betere mens van wordt: dat is Pasen!” Stanny heeft er ook voor gezorgd dat velen van ons kunnen blijven eten: het zal wel lekker geweest zijn! “O happy day!”
Wie verwacht had van hier een uitvoerig verslag te vinden van het verblijf van de Effatagemeenschap (of toch een deel ervan) in het jeugdvakantiehuis ‘De Lork’ in Kemmel van 13 tot 16/7, komt wel een beetje bedrogen uit. Want ik zou willen samenvatten: het was er goed, het was er voor elk wat wils. Een vriendelijke ontvangst, ruime kamers, lekker eten. De organisatie, Tom en Sylvie: prima, wat een werk! Maar ook de stille werkers, achter de schermen, zij die de tafels dekten en afruimden, schotels aanbrachten: bedankt. Je kon wandelen rond de Kemmelberg, kompaslopen, fietsen, een opleiding volgen tot lakei of dienstmaagd, een wijngaard bezoeken en alles leren over degusteren. Onder de Menenpoort bij ‘The Last Post’ weemoedig worden, naar de schapenboer luisteren, bier proeven of alle knepen van het bakkersvak leren. Zingen over de zon, zwemmen in Ieper of zoeken naar het graf van Robrecht van Bethune, ernstig zijn in het Praatbos in Vladslo: ‘Ach, mein Kind ist hier gefallen, …’ of luim verkopen, ‘Het Labyrint’ bezoeken of gewoon in de zon zitten en niets doen. Kort maar krachtig bezinnen ’s avonds (maar de vonken, de sterren hangen nog in de Effatazaal), wachten op Elien, feest vieren met Elien, wier relatie met kikkers nog iets kan verbeteren. En nog eens: niets moest! En het weer: dat was mooi, behalve de laatste dag, maar toen gingen we tóch naar huis!
Dood en verrijzenis: doen wat ondenkbaar is. We hebben nog veel werk voor de boeg: Pasen verstaan is niet simpel, Pasen is geen verhaal met een happy end. Neen er komt de ondenkbare boodschap: “Die begraven werd, leeft!” Niet alles komt dus weer goed, wel is er een nieuw begin, iets totaal nieuws, God die zich opnieuw naar de mensen keert. Voor deze Beloken Pasen, 18/4, past het evangelie volgens Johannes, 20, 19-29, over Thomas die men de ongelovige heeft genoemd. Was hij wel zo ongelovig? Of reageerde hij op een gevoel van mogelijke massahysterie: daar doe ik niet aan mee? Ik moet de tekenen zien! Wat opvalt is dat het gaat over dezelfde Jezus, met open wonden, nog niet gesloten als littekens, die zei: “Doe nu ook zoals ik en drink desnoods de beker tot de laatste druppel”. Vandaag gedenken wij daarom wie gestorven zijn, wie begraven zijn, net als Jezus, maar die blijven leven in de liefde en de verrijzenis van Jezus de Christus. ‘Wek uw kracht en kom ons bevrijden!’, telkens één kaars op de menora, aangestoken aan de paaskaars, telkens stil overwegend voor mensen die we in liefde in Gods handen hebben gelegd, wier namen we voor Gods voeten hebben gelegd, die we aan Gods liefde hebben toevertrouwd, biddend om geloof dat God om ons bekommerd is, met een dankbaar hart denkend aan alle zorg die mensen voor ons hebben gehad, biddend om hoop en vertrouwen in plaats van de wanhoop en de onzekerheid die zich in het leven van mensen hadden genesteld. Denkend aan wie ons zijn voorgegaan en die we met dankbaar hart herdenken, steken we alle licht aan, symbool van het licht dat we bij allen kunnen brengen. We danken voor de vakantie in Kemmel, voor wie rouwen om een mens van wie ze veel hebben gehouden, bidden voor een pas gedoopt kindje, voor zuster Christa en pater Jozef die onlangs zijn overleden, voor een overleden broer. Het eerste woord dat Jezus sprak, was: “Vrede” want enkel vanuit vrede in ons hart kunnen we zelf vrede brengen.
Koorrepetitie op 24/4: we repeteren wel: ‘Zacht is niet traag!’, maar het belangrijkste van de avond is wel de receptie uit dank van het koor voor Stanny Bonte, nu hij afscheid neemt als aalmoezenier in de gevangenis. Lily vat samen: “De vriendschap tussen het koor en jou is groot! En wat je daar gedaan hebt is grandioos!” Als herinneringsgeschenk aan de mosselfestijnen in Afsnee en aan de gevangenis: wat past er beter dan een mosselpot met (lege) schelpen, samengebonden met een symbolische ketting!
In de lezingen van de zeven zondagen na Pasen trachten we te verstaan wat het betekent dat Jezus verrezen is, maar het blijft een groot geheim, een zaak van geloven, toevertrouwen, zonder zeker weten. Vandaag zou je uit het evangelie kunnen afleiden dat de leerlingen dachten dat er twee werelden waren: die van hen die op overleven neerkwam en die van Jezus, ver boven hen, een andere wereld. Maar dat staat er niet (Lucas 24, 35-48), dat is niet waar: God neemt ons en het leven ernstig, Jezus is iemand van ons die door God is opgewekt met de belofte dat ons dat ook zal gebeuren. Als je veel de vraag “Waarom?” stelt, krijg je de mensen tegen u, maar toch vandaag de vraag: “Waarom doop je twee kinderen?” Om zonden af te wassen? Als magische bescherming? Maar in elk geval om hen een geschenk te geven, dat van een gemeenschap die rond hen staat, van een peter en meter die de grote gemeenschap vertegenwoordigen en die zich er toe verbinden om voor die kinderen zorg te dragen. Luna en Alicia, ‘de maan’ en ‘de edele’, 6 en 5 jaar oud, dus een bewuste keuze van henzelf en hun ouders Anja en Stefan, worden vandaag gedoopt. Gekoesterd en de handen opgelegd als zegenend gebaar, gedoopt en gezalfd, een kruisje op het voorhoofd van wie van hen houden, een kaars aangestoken aan de paaskaars als herinnering van dit doopfeest, lieve wensen van hun ouders. Wij hebben ons geloof uitgesproken, ook dat naar Luna en Alicia toe, dat God hen zal doen ‘groeien’ en God gevraagd hen en hun ouders en de hele familie te zegenen. Stefan dankt voor deze gemeenschap zonder voorwaarden, wij bidden voor elkaars intenties, wij dragen beide kinderen op aan Maria: “Wees gegroet Maria”. En daarna is het feest, met taart en wijn, met geschenken voor de beide kinderen, met suikerbonen, met een gelukkige familie! En ook dát zie je op deze website in het fotoalbum!
Ook in de gevangenis wil men op 26/4 in een mis om 8.00 uur, afscheid nemen van hun aalmoezenier Stanny Bonte, maar dan in ‘het geheim’. Ikzelf kon er niet zijn, dus het volgende verhaal is dat van Lut (met dank!). We werden langs de achterpoort van de Pijlstraat in alle stilte en vroegte binnengelaten in de gevangenis. Een zestigtal mensen, broers en zussen, enkele aalmoezeniers van andere gevangenissen, een koor (van Zwijnaarde), een 25-tal mensen van onze gemeenschap. De bedoeling was uiteraard Stanny te verrassen, maar die kwam te vroeg opdagen, maar daardoor was de verrassing voor hem niet minder groot. Een viering van en door Stanny, met 5 andere priesters, heel wat plechtiger toch dan anders. Wij van Effata zaten naast de gevangenen, bij de vredeswens een gemiste kans om voor die éne keer naar hen te kunnen toegaan. “Waarom ik priester geworden ben?” vertelde Stanny in zijn homilie: “Ik had God al ontmoet in mijn geboortedorp Sint Margriete, in mensen zoals jullie allemaal!” Dank: ook met woorden die met Stanny’s eigen gezegdes hem raak typeerden, met een beeldje gemaakt door de gevangenen, met een concelebrerende halftijdse opvolger met ervaring, pater Yves De Mey (maar is Stanny wel vervangbaar?), met een lied vanuit Effata: ‘De steppe zal bloeien!’ De directeur van de gevangenis heeft daarna voor een lekker, feestelijk ontbijt met koffiekoekjes, koffie en warme chocolademelk gezorgd. Samen aan tafel met de gedetineerden … waarom aarzelden we toch bij de vredeswens?
Tabor 29/4: het verhaal van de Emmaüsgangers (Lucas 24, 13-35) wordt een persoonlijk verhaal, eerst als het scenario van een film, dan als grote drukte op de weg heen en terug naar Emmaüs, dan als een vraag. Grote drukte naar Emmaüs vandaag: de ontgoochelden, zij die vinden dat de Kerk geen antwoorden geeft, zij die niet meer in God kunnen geloven door wat ze hebben meegemaakt, … als een stad die leegloopt. Grote drukte van Emmaüs naar Jeruzalem vandaag: zij die blijven geloven in Gods belofte, zij die opnieuw moed kregen door iemand die met hen meeging, … Een vraag: “Wat doe ik?” Ik mag niet ontkennen dat ik mij ook soms voel als zij die ontgoocheld naar Emmaüs terugkeren, maar dank zij Effata keer ik telkens weer terug naar Jeruzalem. Wij bidden voor al wie er vanavond niet bij kon zijn en voor al wie zoekende is en de weg terug nog niet gevonden heeft.
Het was een wonderbaarlijke maand, een drukke maand, maar ook de maand van de lentebloemen: narcissen, hyacinten, meiklokjes, een mooie maand.
Wouter, donderdag 30 april 2009.
|
||||||||