![]() |
||||||||
| |
||||||||
| Kroniek
van de maand april
Wij zijn op 1 april wat onwennig samen in de kapel want er zijn weinig kinderen aanwezig. Na de viering spreekt Jelle over de komende reis naar de stichtingsplaatsen van de redemptoristen in het zuiden van Italië: het klinkt verrassend, veelbelovend, vermoeiend. Er worden afspraken gemaakt onder meer over de plaats van vertrek (Brussel). Als Mieke Leroy iets belooft houdt ze haar belofte: op zondag 2 april zijn we met een 40-tal aanwezig in het Groot Begijnhof van Sint-Amandsberg, met zon en wind en met héél kleine scheutjes aan de bomen, voor een gegidste rondleiding. Zeer leerzaam voor de band tussen God en mensen … Op maandag trekken enkele Effatavrouwen naar Wittem, vergeten pluggen en vijzen, vergeten dat dunne plaasterplaten niet zo stevig zijn als stenen muren, vernietigen bijna Guido’s elektronische uitrusting, maar vinden wel de bron van het Gerardusbier in Wittem én de Ikea in Heerlen zonder ook maar het gebruik van de GPS te ontdekken. In de stuurgroep op donderdag buigen we ons over het verdere vieringenjaar en de vooruitzichten voor een bijeenkomst van leken en redemptoristen in oktober. Koorrepetitie op vrijdag 6 april en het wordt weer zoals vroeger: repeteren voor de grote vieringen van de Paasweek die op komst zijn en ook de viering in Wittem, een echte uitdaging, voorbereiden. Marthe is er ook, maar ze is onrustig want ze heeft honger en daar kan alleen haar moeder voor zorgen! In het aandenken voor Palmzondag moet de palm nog gekleefd worden; sommigen nemen dat letterlijk en blijven zelf ‘plakken’. Voor Palmzondag, en zeker voor Pasen moet de kapel netjes zijn: de poetsploeg is dankzij het voorbereidende werk in de Taborzaal en na de repetitie, juist sterk genoeg om al het werk aan te kunnen. Na afloop kan je rustig knielen op beide knieën, zonder je vuil te maken. Op Palmzondag begint een lange viering: van nu tot met de paasnacht, van feest met palmen naar pijn en lijden, rouw en vreugde in de paasmis. Guido vraagt ons die lange viering ook thuis mee te vieren door een twintigtal minuten rust en wat nadenken, door eens een kerk binnen te lopen, door een kaars te branden en wat tijd vrij te maken voor één van de werken van barmhartigheid. Witte Donderdag: het verhaal gaat verder en we zitten met velen rond de tafels waar kruiken met water en brood en wijn klaar staan, zoals zolang geleden in die bovenzaal. Hier kunnen wij het wagen openhartig Zijn naam uit te spreken, Hem te gedenken, ook als mens, en ons te herinneren hoe hij ten einde raad zijn leven heeft doorgegeven onder de vorm van alledaags voedsel: brood en wijn. Tastbaar is Hij bij ons gebleven al die eeuwen van christendom, Hij is bij ons als wij aan Hem denken. Wij lezen in 1 Kor. 11, 17-26 over onenigheid en egoïsme en over de manier dat wij die kunnen vermijden: door te doen wat Jezus op dat avondmaal met zijn vrienden heeft gezegd, de woorden die wij in elke viering samen zingend herhalen, totdat Hij komt. Toen Paulus dit schreef aan de Korintiërs waren er geen priesters en geen bisschoppen, men stelde eenvoudig een ‘voorganger’ aan, want basisregel was dat de christengemeenschap recht heeft op Eucharistie volgens de hoogste wil van Jezus. Ook Kardinaal Suenens verdedigde in 1971 dit standpunt, denk ook aan het onderscheid tussen ‘Pauluspriesters, rondreizende celibataire priesters’ en ‘Korintepriesters, gekozen uit de gemeenschap’. Eucharistie is een teken van aanwezigheid, niet van macht, wel van dienstbaarheid, elkaar de voeten wassen als laatste teken van vriendschap en zo weer onze zachtheid te ontdekken. Wij wassen onze handen, om elkaar met schone handen vrede te kunnen wensen en elkaar voor alle haat, alleen vergiffenis te kunnen schenken. In het tafelgebed wordt het even kersttijd, maar dat hindert niet, want ook nu wachten we, op de levende Christus. Wij luisteren naar de weinige woorden die Jezus sprak voor Hij gevangengenomen werd: “Dit is mijn gebod, hebt elkaar lief, zoals ik u heb liefgehad”. Wij vragen ons met Hem af: “Was het niet voor niets, was al die strijd wel de moeite waard?” en gedenken Hem, hoe Hij vocht met zichzelf en met zijn Vader tot aan zijn beslissing: “Vader, uw wil geschiedde”. Goede Vrijdag: Mieke, Vincent en Valerie dragen de kruislieveheer binnen, vóór hen gaan Leen en Pieter met een brandende kaars. Pieter draagt een te zware last. Dan luisteren we naar het verhaal van de laatste uren van de man die voor ons is gestorven: “Als een lam naar de slachtbank …”: is Gent niet de stad van het wereldberoemde retabel ‘Het Lam Gods’? Wij denken na over de woorden van Jezus voor Pilatus: “Al wie uit de waarheid is, hoort mij” en de cynische vraag van Pilatus: “Wat is waarheid?” Wij denken na over machtswellust die mensen tracht klein te maken, die Hem dood wilde, wat een pretentie! Hij werd gehaat omdat alles wat uitgevonden was om mensen in de hand te houden, alles wat ons in schuld deed leven, van Hem weg moest. Jezus heeft ons terug in het paradijs geplaatst, ons recht vóór God gezet en door zijn dood bewezen dat God van ons houdt. Hij had er ook alles voor over opdat we dat niet zouden vergeten en daarom eren we Hem voor zijn trouw met knielen, met bloemen, met een eerbiedige buiging, met waken en bidden, met grote emotie bij ‘… en vergeef ons onze schulden …’. Wij bidden om licht in deze donkere nacht, zijn Hem indachtig die in leven en dood onze broeder is geworden en gaan in stilte weg na de opdracht: “Het is volbracht! … ga en doe gij allen even zo!” Voor de paaswake komen we met velen terug in een kapel met de lijkbaar en de gedoofde paaskaars, een oord van verlatenheid en treuren. Het koor, in zwart gekleed, zingt over een wereld als een woestenij, over voortgejaagde, verdoemde mensen. Wij luisteren naar het verhaal over een man die moest verdwijnen omdat Hij God te dichtbij bracht, over wie zelfs ná zijn dood niet meer moest gesproken worden, vlug begraven in een naamloos graf. Zijn leerlingen gaan zitten rond het vuur, verborgen, opgesloten uit angst voor de Joden, ontgoocheld over hun naïviteit. Enkele vrouwen zoeken het graf en wassen met eindeloze liefde en tederheid de dode, wikkelen Hem, ‘Pie Jesu’, in witte en paarse doeken en dragen Hem van ons weg. Is alles voorbij? Is hij te ver gegaan? Was hij een mens teveel? Is zijn dood ondenkbaar? Toch zingen wij een lied van hoop en luisteren naar de leerlingen. Andreas leest het eerste verhaal, het scheppingsverhaal, over een mooie wereld en twee goede mensen die God gemaakt heeft omdat Hij wist wat goed is voor de mensen. Heeft God ons dan in de steek gelaten? Nee, zegt Simon en spreekt over de regenboog en de seizoenen, bewijs dat God zijn belofte houdt. Jacobus wil ook wat zeggen en vertelt over de slavernij, hoe God ons veilig door het water heeft laten gaan en over Johannes de Doper die dit beeld gebruikte voor een veilige weg naar het beloofde land. Dan zingt Johannes, de leerling die Jezus het liefste zag, uit het hooglied, over de liefde van God en zijn mensen: “Voordat ik bomen zag, zag ik jou.” Op de twijfels van Petrus, antwoordt de oude Nathaniël met de woorden van Jesaja: “God is met mij!” en met de voorspelling van mishandeling, verachting en het toch volbrengen van de wil van God. Kaarsen zijn aangebracht en aangestoken, op de menora staan nu kaarsen met de kleuren van de regenboog, de waterkruik is gevuld. Het is dan heel stil geworden, en Thomas heeft voorgesteld te doen wat Hij gevraagd heeft. De tafel wordt gedekt, de bekers met wijn en de schalen met brood worden op de tafel gezet. Plots is er lawaai, Broeder Maurits luidt de klok, de vrouwen komen binnen, terug van het lege graf, ze hebben de levende Jezus gezien, en brengen de paaskaars mee. We zingen, nu met de feestelijke wippala aan en begeleid door Filip, Krista, Peter en Dirk ‘Alleluia’, de paaskaars wordt aangestoken en op de kandelaar gezet en overal worden nieuwe brandende kaarsen geplaatst. De godslamp, teken van Gods voortdurende aanwezigheid, en de veelkleurige kaarsen op de menora worden opnieuw aangestoken. De harp met de zeven snaren van barmhartigheid staat weer op het altaar. We bidden de zegening over het water dat uit de grote kruik in de doopvont wordt gegoten - ook wat warm water - en Guido voelt deskundig met zijn elleboog of het niet te koud meer is. Want vanavond wordt Marthe, de ‘heerseres’, dochtertje van Krista en Frank, gedoopt. Maar eerst wordt ze gezegend door heel veel kinderen (wie wil weten waar ze vandaan komen vrage het aan Ilse!). Wij beloven allemaal, Marthe een plaatsje te geven in ons hart en dan wordt ze gedoopt, gezalfd en een lang leven gewenst. Ze huilt een beetje maar moeders warmte en troost helpen snel. Dan, na het grote tafelgebed voor de paastijd, delen we brood en wijn tot Zijn gedachtenis en tekenen ons met het kruis met het nieuwe doopwater. Het koor sluit de communie af met het paasverhaal ‘Het zal in alle vroegte zijn’ met het apocalyptische beeld van de zee die haar doden teruggeeft, maar eindigend met een overtuigende levenswil: ‘Dan zal ik leven’. Dan bidden we nog even voor elkaar: “Blijf ons nabij”, danken en krijgen elk een aandenken voor deze innige viering: een klokje waarvan de klepel een parel op Gods kroon was op Palmzondag. We staan op, we lachen, juichen en leven. Kleine Marthe, die weet hoe God er uit ziet, zegent ons tot afscheid. Naar goede Effatagewoonte is er een receptie met taart voor Marthe en dan nog heel wat uitwisselen van emotie. Pasen is óók: met 36 Effatamensen zingen in de gevangenis, elke keer een speciale ervaring, zeker als je Stanny hoort spreken over goed doen en “je leven kan veranderen, kijk maar naar de verloren zoon”! Paasmaandag: eerste Familiedag, want de paasvakantie valt volledig vóór Pasen en dus kunnen we zoals de voorgaande jaren geen meerdaagse uitstap organiseren. Organisator Tom heeft gezorgd voor een rondleiding in het Waterspaarbekken Kluizen en in de geitenboerderij van de Spiegelstraat te Ertvelde, met Magda’s soep en picknick ’s middags en heerlijke, overvloedige worstenbarbecue in het schutterslokaal ‘Zachtjes los’ te Wippelgem. Maar vooral heeft hij het aangekondigde slechte weer kunnen omzetten in een stralende zon met de aangepaste windsterkte: Frans loopt er zelfs een lichte zonnebrand bij op! Bijna 100 Effatamensen met veel kinderen doen mee aan de Familiedag: ook het springkasteel heeft veel succes. Guido is er niet bij want hij is voor enkele dagen naar Libanon … Lou heeft wel een nare ervaring te verwerken: ze zit opgesloten in het toilet: met wat breekwerk en de schroevendraaier van Vincent komt ze weer vrij. De Vlaamse Watermaatschappij neemt ter compensatie grootmoedig de kosten voor een gebroken wc-deksel voor haar rekening. In Tabor denkt men na over de vraag van de Emmaüsgangers: “Wat nu, na Goede Vrijdag?” en de herkenning van de verrezen Heer. In de boekenclub, met matige belangstelling, bespreken we de teksten van Zulehner, Tobin, Lasso en Dembek over ‘Kerk in crisis’, redemptoristen, leken, kortom over het wezen en de toekomst van Effata. Het wordt een boeiend, hoopvol gesprek, open op wat nog komen kan. In de viering van 22 april herdenken we onze overledenen. Wij zouden dat ook kunnen doen in november, de dodenmaand, als de natuur dood is, als er geen bloemen zijn en niets op leven wijst. Als het beeld van bloemen op het graf opmerkelijk is: typisch voor onze ‘genezende’ maatschappij, die liefst vergeet dat er ook een moment komt dat we niet meer kunnen genezen. Maar wij houden die viering in de lente, als alles spreekt van leven, na Pasen. Wij lezen het evangelie: Johannes 20, 19-29 over de verschijning van de verrezen Jezus aan de apostelen en vooral aan Thomas. Die is voor velen de sympathiekste apostel, wel niet bejubeld door de charismatici, maar wel de apostel die maar kan geloven in díe verrezen Jezus, die afgetakeld en bespot gestorven is op een kruis, die weet wat mens zijn is. Een apostel die leidsman is voor die mensen voor wie geloven in een leven na de dood niet zo eenvoudig is, zeker niet als Joe vermoord werd om een mp3-speler. We bidden dat we onze gestorvenen toch, herkenbaar, in de handen van een liefdevolle God leggen, met de gele tulpen van de kinderen op de vele kaartjes met de namen van hen die we gedenken, kijkende met ons hart. Wij bidden dat onze herinnering sterker is dan alles wat mensen elkaar aandoen, sterker dan de dood, want: “Waarom wíj niet, wij zijn toch ook mensen?”. Tabor op woensdag gaat over de ontreddering waar mensen in terecht kunnen komen en wat wij daar kunnen aan doen: gewoon aandacht hebben voor de noden van de medemens en weten dat God ons hierbij nabij is. Koorrepetitie op 28 april: de organisatie voor de reis naar Wittem begint te draaien: we repeteren dan nog maar eens de Majellamis, tot het automatisch gaat. De lezingen voor de viering zullen gaan over de liefde en de vriendschap, de liederen over ‘Waar vriendschap is’, ‘Om vrede’ (’t is van Augustinus!) en ‘Daar waar vriendschap is en liefde’. De laatste viering van de maand herinnert ons weer aan de leerlingen die ontgoocheld over zichzelf, moeilijk de boodschap kunnen geloven dat Jezus leeft. We lezen in Lucas 24,35-48, het ‘straffe’ verhaal van Jezus’ verschijning aan de leerlingen, niet zozeer om te geloven in Gods trouw. Maar wel om te onthouden dat niet alleen het geestelijke belangrijk is (zoals de gnostici beweren) maar ook het lichamelijke, zoals Jezus met ‘vlees en beenderen’ verschijnt. En ook om goed te begrijpen dat het díe Jezus is die leeft, die Jezus die ook menselijk was, die wat geroosterde vis at. Díe Jezus, die dicht bij mensen is, als we samenkomen in zijn naam, daar waar brood van liefde wordt gedeeld, zelfs door een Marokkaanse bakker op de begrafenis van Joe, ook in Jeruzalem waar mensen zoveel moeite hebben om het brood van de liefde te delen. Wij gaan met het verdriet van Mieke en Vincent om kleine Bavo, die óók wist hoe God er uit ziet, tot Hem die woorden heeft van eeuwig leven en wij bidden voor een vriendin die zo graag werk zou vinden. Het wordt meimaand, de Japanse kerselaar bloeit tot op het altaar, vóór het Effatalokaal staat de vrouwenmantel bloeiensklaar.
|
||||||||